2/6 WKMA Code+ volgorde zin

                                          Welkom!
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

                                          Welkom!

Slide 1 - Slide

Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon in de kluis
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 

Slide 2 - Slide

Deze les: Code+ + verhaal maken
  • morgen: toets schrijven 
  • voorbereiding toets + zin in goede volgorde
  • werken in Code+ :  taak 2 maken + spreekopdracht
  • check Code+ online

Slide 3 - Slide

 lesdoelen 
  • Ik weet wanneer ik hoofdletters en leestekens moet gebruiken.
  • Ik weet hoe ik een zin in de goede volgorde schrijf.
  • Ik kan een zin maken met het perfectum. (voltooid deelwoord)

Slide 4 - Slide

Perfectum en de volgorde in een zin
Het perfectum (voltooid deelwoord) maak je met de werkwoorden zijn en hebben.
Gisteren ben ik naar de winkel gegaan.
Het perfectum maak je vaak met  ge- voor het werkwoord.
Vorige week heb ik een mooie kast gezien.

Slide 5 - Slide

Maak de zin af....(schrijf op)
Gisteren heb ik........................
Gisteren ben ik ook...............

Slide 6 - Slide

Hoofdletters en leestekens

Slide 7 - Slide

Wat is goed?
A
anne, jozef en maria
B
Anne Jozef en Maria
C
Anne, jozef en Maria
D
Anne, Jozef en Maria

Slide 8 - Quiz

Wat is goed?
A
ga je naar huis
B
ga je naar huis?
C
Ga je naar huis?

Slide 9 - Quiz

Wat is goed?
A
het Feest begint om half 11.
B
Het feest begint om half 11.
C
het feest begint om half 11.
D
Het feest begint om half 11?

Slide 10 - Quiz

Wat is goed?
A
Ik kom niet want ik ben ziek
B
Ik kom niet. Want ik ben ziek.
C
ik kom niet, want ik ben ziek.
D
Ik kom niet, want ik ziek ben.

Slide 11 - Quiz

Wat is goed?
A
Wij hebben een toets engels en wiskunde.
B
Wij hebben een toets Engels en Wiskunde.
C
Wij hebben een toets Engels, en wiskunde.
D
Wij hebben een toets Engels en wiskunde.

Slide 12 - Quiz

Welke zinnen zijn goed?
1. We drinken koffie en eten we een koekje.
2. Ik lees een boek, want ik hou van lezen.
3. Morgen ik ga niet naar school, maar ik ga naar de stad.

OPDRACHT: SCHRIJF DE ZINNEN GOED OP!

Slide 13 - Slide

Welke zinnen zijn goed?
4. Esra fietst naar Den Haag, omdat ze houdt van fietsen.
5. Toen de bus kwam, ik ging in de bus.
6. De les is klaar, dus ga ik naar huis.

OPDRACHT: SCHRIJF DE ZINNEN GOED OP!

Slide 14 - Slide

tips voor de schrijftoets
  • Schrijf hoofdletters (begin van de zin en namen) 
  • Schrijf leestekens (punt eind van de zin, komma voor woorden als: want, omdat, maar, dus...)
  • Schrijf ook in de voltooide vorm. (perfectum) Voorbeeld: Ik ben naar school gegaan. 
  • Gebruik voegwoorden: -> A1: en, want
  • -> A2: maar, omdat, dus,...Voorbeeld: Ik ben thuis, omdat ik ziek ben.

Slide 15 - Slide

Check Code+ online (+ boek)
  • Team Nathaniel (H6)
  • Mohammed (H4)
  • Jwana 
  • Team Aya (H2)

Slide 16 - Slide

werken in Code+ boek en online!
Team Hana: Aya, Hana, Saaldaldin, Maksym: hoofdstuk 2
Team Gordon: Maysam, Gordon, Mohammed: hoofdstuk 5 (Mohammed eerst hoofdstuk 4 online afmaken)
Team Atai: Solomiia, (Yarina), Yumer, Atai, : hoofdstuk 3 boek en online maken
Team Nathaniel: hoofdstuk 6 online en in je boek afmaken. Nathaniel: grammatica hoofdstuk 6 leren
Team Moustafa: Jwana, Fai, Moustafa: hoofdstuk 5 (II)



Slide 17 - Slide

 lesdoelen behaald?
  • Ik weet wanneer ik hoofdletters en leestekens moet gebruiken.
  • Ik weet hoe ik een zin in de goede volgorde schrijf.
  • Ik kan een zin maken met het perfectum. (voltooid deelwoord)

Slide 18 - Slide

Dankjewel! Tot de volgende keer!

Slide 19 - Slide

Een verhaal (story, hikaye, قصة,історія,روایت)
  • Je krijgt de bal. Je zegt een zin.
  • Je mag zelf iets bedenken.
  • We maken zo samen een verhaal.
  • Voorbeeld zin 1: Het verhaal gaat over......
  • Zij/Hij is......jaar oud.
  • Zij/Hij woont in.....
  • Ze heeft..... enz. 

Slide 20 - Slide

Samen een verhaal maken
  • Het verhaal gaat over......
  • Zij/Hij is......jaar oud.
  • Zij/Hij woont in.....(plaats ,huis, stad, dorp enz.)
  • Zij/hij komt uit..... (land)
  • Ze/hij heeft..... enz. (kinderen, huisdieren)
  • Ze/hij woont samen met.....
  • Ze/hij heeft.....(kleur haar, ogen, kleding)

Slide 21 - Slide