Subjuntivo 2

Metas de la clase
En esta clase... 

1. ...repaso el Subjuntivo
1 / 23
next
Slide 1: Slide
SpaansWOStudiejaar 6

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Metas de la clase
En esta clase... 

1. ...repaso el Subjuntivo

Slide 1 - Slide

Subjuntivo
Meestal gebruikt in bijzinnen, na het woordje 'que'.  Wordt gebruikt in vele situaties, waarin er sprake is van subjectiviteit van de spreker/schrijver. 

Komt ook voor in hoofdzinnen. Denk aan de negatieve gebiedende wijs (No hables).

Slide 2 - Slide

Vervoeging
- Regelmatige werkwoorden (1)
- Vier groepen onregelmatige werkwoorden (2,3,4,5)

Slide 3 - Slide

1. Regelmatige werkwoorden
De werkwoorden op -ar krijgen de uitgangen van -er.
De werkwoorden op -er en -ir krijgen de uitgangen van -ar.

Let op de ik-vorm. Die is gelijk aan de hij/zij/u-vorm en eindigt in de Subjuntivo dus nooit op -o.

Slide 4 - Slide

1. Regelmatige werkwoorden
hablar
comer
escribir
hable
coma
escriba
hables
comas
escribas
hable
coma
escriba
hablemos
comamos
escribamos
habléis
comáis
escribáis
hablen
coman
escriban

Slide 5 - Slide

2. Onregelmatige ik-vorm
Bij werkwoorden die in de Indicativo een onregelmatige ik-vorm hebben, haal je de -o eraf en gebruik je de overgebleven stam (hieronder groen) voor alle vormen van de Subjuntivo. 

Je kent: tener (tengo), poner (pongo), hacer (hago), decir (digo), venir (vengo), traer (traigo), conocer (conozco), producir (produzco) salir (salgo), caer (caigo), ver (veo) en oír (oigo).

Slide 6 - Slide

2. Onregelmatige ik-vorm
tener
conocer
ver
tenga
conozca
vea
tengas
conozcas
veas
tenga
conozca
vea
tengamos
conozcamos
veamos
tengáis
conozcáis
veáis
tengan
conozcan
vean

Slide 7 - Slide

3. Klinkerwisseling
Werkwoorden die in de Indicativo een klinkerwisseling in de stam hebben, behouden de wisseling in de Subjuntivo. 

De wisseling vindt meestal niet plaats in de nosotros en vosotros-vormen, maar 
- wel bij e > i éi > y
- wel deels bij preferir, sentir(se), divertir(se), dormir en morir

Slide 8 - Slide

3. Klinkerwisseling: e > ie
cerrar (sluiten), comenzar (beginnen), confesar (opbiechten), despertarse (wakker worden), empezar (beginnen), merendar (snacken), negar (ontkennen), nevar (sneeuwen), pensar (denken), recomendar (aanbevelen), sentarse (gaan zitten), entender (begrijpen), defenderse (zich verdedigen), perder (verliezen), querer (willen), mentir (liegen), preferir (liever willen), sentirse (zich voelen), divertirse (zich vermaken)

Slide 9 - Slide

3. Klinkerwisseling: e > i
corregir (nakijken), despedirse (afscheid nemen), elegir (kiezen), medir (meten), pedir (vragen, bestellen), repetir (herhalen), reír (lachen), seguir (volgen, verdergaan), servir (dienen), vestirse (zich aankleden)

Let op: ook nosotros en vosotros krijgen een i i.p.v. een e.

Slide 10 - Slide

3. Klinkerwisseling: o/u > ue
acostarse (naar bed gaan), almorzar (lunchen) colgar (ophangen), contar (vertellen) costar (kosten), encontrar (vinden) mostrar (laten zien), probar (proberen, proeven), recordar (zich herinneren), sonar (klinken, luiden), soñar (dromen) soltar (loslaten) volar (vliegen), doler (pijn doen), llover (regenen), mover (bewegen), poder (kunnen, mogen), resolver (oplossen), volver (teruggaan), devolver (teruggeven), morir (sterven), dormir (slapen), jugar (spelen)

Slide 11 - Slide

3. Klinkerwisseling: i > y
construir (bouwen), destruir (verwoesten), huir (vluchten), incluir (insluiten)

Let op: ook nosotros en vosotros krijgen een y i.p.v. een i.

Slide 12 - Slide

3. Klinkerwisseling
e > i
i > y
preferir
sentir(se)
divertir(se)
dormir
morir
pida
incluya
prefiera
duerma
muera
pidas
incluyas
prefieras
duermas
mueras
pida
incluya
prefiera
duerma
muera
damos
inclu amos
pref ramos
rmamos
ramos
dáis
inclu áis
pref ráis
rmáis
ráis
pidan
incluyan
prefieran
duerman
mueran

Slide 13 - Slide

4. Klankbehoud
Bij alle werkwoorden op -car, -gar, -ger en -gir verandert de spelling ten behoeve van klankbehoud. Bij alle werkwoorden op -zar verandert de spelling ook, maar hier om de lettercombinaties 'ze' en 'zi' te voorkomen. 

Slide 14 - Slide

4. Klankbehoud
explicar
colgar
empezar
coger
elegir
explique
cuelgue
empiece
coja
elija
expliques
cuelgues
empieces
cojas
elijas
explique
cuelgue
empiece
coja
elija
expliquemos
colguemos
empecemos
cojamos
elijamos
expliquéis
colguéis
empecéis
cojáis
elijáis
expliquen
cuelguen
empiecen
cojan
elijan

Slide 15 - Slide

5. Eigenaardige werkwoorden
Bij ser, ir, haber en saber verandert de stam.

Bij estar en dar verandert de a in een e.

Slide 16 - Slide

5. Eigenaardige werkwoorden
ser
ir
haber
saber
estar
dar
sea
vaya
haya
sepa
esté
seas
vayas
hayas
sepas
estés
des
sea
vaya
haya
sepa
esté
seamos
vayamos
hayamos
sepamos
estemos
demos
seáis
vayáis
hayáis
sepáis
estéis
deis
sean
vayan
hayan
sepan
estén
den

Slide 17 - Slide

¡Manos a la obra!
Practicar, practicar, practicar...

Slide 18 - Slide

¿Indicativo o Subjuntivo?

Ik hoop dat alles goed verloopt.
A
Espero que todo sale bien.
B
Espero que todo salga bien.

Slide 19 - Quiz

¿Indicativo o Subjuntivo?

Ik denk dat jij gelijk hebt.
A
Pienso que tienes razón.
B
Pienso que tengas razón.

Slide 20 - Quiz

¿Indicativo o Subjuntivo?

Zij geloven niet dat ik gelijk hebt.
A
No creen que tengo razón.
B
No creen que tenga razón.

Slide 21 - Quiz

Subjuntivo van ser?
A
sea - seas - sea - seamos - seáis - sean
B
sepa - sepas - sepa - sepamos - sepáis - sepan
C
sa - sas - sa - samos - sais - son
D
vaya - vayas - vaya - vayamos - vayáis - vayan

Slide 22 - Quiz

¿Indicativo o Subjuntivo?

Het is noodzakelijk dat je meegaat.
A
Es necesario que me acompañas.
B
Es necesario que me acompañes.

Slide 23 - Quiz