Informatie verzamelen
Informatie verzamelen
Open met herkenbare situaties: iets opzoeken over een persoon, een dier, een land of school. Leg kort uit dat de les gaat over eenvoudige informatie vinden, vragen stellen en antwoorden begrijpen.
Dit ga ik leren
Ik kan eenvoudige informatie verzamelen door online naar basisgegevens te zoeken en gerichte, korte vragen te stellen en te begrijpen.
This item has no instructions
Welke informatie zoek jij vaak online?
Verwachte woorden: naam, school, adres, hobby, land, dier, bus, rooster. Gebruik de antwoorden als brug naar de voorbeelden in de les.
Wanneer heb je informatie nodig?
over een persoon
over een land
over een dier
over een praktisch onderwerp
over schoolzaken
Koppel elk voorbeeld aan een concrete situatie: een klasgenoot, Nederland, een kat, de bus, of een rooster. Houd het alledaags en eenvoudig.
Basisgegevens
Dit zijn eenvoudige gegevens die je vaak zoekt:
naam
leeftijd
woonplaats
hobby's
school
Benadruk dat basisgegevens kort en duidelijk zijn. Geen moeilijke teksten, maar kleine stukjes informatie.
Online zoeken
gebruik korte woorden
zoek op naam of onderwerp
lees alleen de belangrijkste informatie
kijk naar woorden die je al kent
Geef eenvoudige voorbeelden van zoekwoorden, zoals 'leeuw leeftijd', 'Emma hobby', of 'school vakantie'. Het doel is niet technisch zoeken, maar gericht simpele info vinden.
Handige woorden bij zoeken
Woorden die vaak helpen:
naam
leeftijd
woont in
houdt van
gaat naar school
Laat zien dat deze woorden ook terugkomen in antwoorden. Zo leren leerlingen zoeken én herkennen.
Welk zoekwoord is het best?
school vakantie
waar woon je
Emma hobby
ik zoek Emma
Toetst het idee van korte, gerichte zoekwoorden: naam of onderwerp, zonder hele zinnen.
Vul de woorden in
Je zoekt online met korte woorden. Je kijkt naar belangrijke informatie. Vaak zoek je basisgegevens, zoals naam en hobby’s.
De ontbrekende woorden komen direct uit de slides over online zoeken en basisgegevens.
Korte vragen stellen
Een goede vraag is:
kort
duidelijk
over één onderwerp
Voorbeeld: Waar woon je?
Leg uit dat een korte vraag makkelijker te begrijpen en te beantwoorden is, zeker op A1-niveau.
Vraagwoorden
wie = persoon
wat = ding of informatie
waar = plaats
wanneer = tijd
hoe = manier
Houd de betekenis van elk vraagwoord heel concreet. Gebruik steeds één kort voorbeeld mondeling.
Voorbeelden van vragen
Wie is jouw vriend?
Wat is jouw hobby?
Waar woon je?
Wanneer heb je school?
Hoe ga je naar school?
This item has no instructions
Vraag of antwoord?
Een vraag vraagt om informatie.
Een antwoord geeft informatie.
Vraag: Waar woon je?
Antwoord: Ik woon in Utrecht.
Wijs ook op het vraagteken bij een vraag. Dat visuele kenmerk helpt leerlingen snel onderscheid maken.
Welk vraagwoord past bij een plaats?
wie
waar
wanneer
hoe
Controleert of leerlingen vraagwoorden kunnen koppelen aan soort informatie.
Wat is een antwoord?
Waar woon je?
Hoe ga je naar school?
Ik woon in Utrecht.
Wanneer heb je school?
Drie opties zijn vragen; één optie geeft informatie en is dus een antwoord.
Vraag en antwoord
Een vraag vraagt om informatie. Een antwoord geeft informatie. Bij een plaats vraag je: Waar woon je?
Let op dat leerlingen het verschil tussen vraag en antwoord begrijpen én het juiste vraagwoord herkennen.
Antwoorden herkennen
zoek het belangrijke woord
let op naam, plaats of tijd
lees het antwoord rustig
kies alleen wat je nodig hebt
Maak duidelijk dat leerlingen niet elk woord hoeven te begrijpen. Het gaat om de kern van het antwoord.
Antwoorden noteren
Je kunt informatie noteren als:
een eenvoudige zin
steekwoorden
Voorbeeld:
Woonplaats: Rotterdam
Leg uit dat beide vormen goed zijn: een hele zin of korte notities. Kies wat het makkelijkst is voor de taak.
Van vraag naar antwoord
Wat is je hobby? → Mijn hobby is voetbal.
Waar woon je? → Ik woon in Den Haag.
Wanneer begint school? → School begint om 8 uur.
Gebruik deze slide om de koppeling tussen vraagwoord en soort antwoord expliciet te maken.
Informatie uit het dagelijks leven
informatie over een persoon
informatie over een land
informatie over een dier
informatie over school
informatie over een praktisch onderwerp
Laat zien dat dezelfde aanpak steeds terugkomt: zoeken, vraag lezen of stellen, antwoord herkennen, noteren.
Handig stappenplan
Zo verzamel je informatie:
kies het onderwerp
zoek naar basisgegevens
stel een korte vraag
herken het antwoord
noteer de informatie
Dit is de samenvattende lijn van de les. Verbind hier alle eerdere slides aan elkaar.
Hoe noteer je informatie kort?
met moeilijke zinnen
als steekwoorden
met veel details
als lange vraag
Sluit aan bij de slides over antwoorden herkennen en noteren.
Stappenplan
Eerst kies je het onderwerp. Daarna zoek je naar basisgegevens. Dan noteer je de informatie in steekwoorden of een korte zin.
Controleert de samenvattende kern van het stappenplan.
Bedenk één korte vraag over school of een dier.
Mogelijke goede elementen: een kort voorbeeld met onderwerp + vraag + kort antwoord/notitie, bijvoorbeeld 'Dier. Waar woont het? Woont in Afrika.' Bespreek vooral of de vraag kort en duidelijk is.
Wat heb jij vandaag geleerd?
Reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen iets noemen als zoeken, vraagwoorden, vraag of antwoord, antwoorden noteren.
Wat vond jij moeilijk in deze les?
Reflectie zonder goed of fout. Mogelijke punten: vraagwoorden, korte zoekwoorden, verschil tussen vraag en antwoord, noteren.
Woordenlijst
informatie - gegevens die je wilt weten
basisgegevens - eenvoudige gegevens, zoals naam en woonplaats
zoeken - iets proberen te vinden
vraag - een zin waarmee je informatie vraagt
antwoord - een zin die informatie geeft
vraagwoord - een woord zoals wie, wat, waar, wanneer, hoe
steekwoorden - korte woorden om iets op te schrijven
This item has no instructions