Informatie verzamelen 1

Informatie verzamelen

1 / 27
next
Slide 1: Slide
New lesson editorAlfabetisering NT2ISK

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Informatie verzamelen

Open met herkenbare situaties: iets opzoeken over een persoon, een dier, een land of school. Leg kort uit dat de les gaat over eenvoudige informatie vinden, vragen stellen en antwoorden begrijpen.

Dit ga ik leren

Ik kan eenvoudige informatie verzamelen door online naar basisgegevens te zoeken en gerichte, korte vragen te stellen en te begrijpen.

This item has no instructions

Welke informatie zoek jij vaak online?

Verwachte woorden: naam, school, adres, hobby, land, dier, bus, rooster. Gebruik de antwoorden als brug naar de voorbeelden in de les.

Wanneer heb je informatie nodig?

  • over een persoon

  • over een land

  • over een dier

  • over een praktisch onderwerp

  • over schoolzaken

Koppel elk voorbeeld aan een concrete situatie: een klasgenoot, Nederland, een kat, de bus, of een rooster. Houd het alledaags en eenvoudig.

Basisgegevens

Dit zijn eenvoudige gegevens die je vaak zoekt:


  • naam

  • leeftijd

  • woonplaats

  • hobby's

  • school

Benadruk dat basisgegevens kort en duidelijk zijn. Geen moeilijke teksten, maar kleine stukjes informatie.

Online zoeken

  • gebruik korte woorden

  • zoek op naam of onderwerp

  • lees alleen de belangrijkste informatie

  • kijk naar woorden die je al kent

Geef eenvoudige voorbeelden van zoekwoorden, zoals 'leeuw leeftijd', 'Emma hobby', of 'school vakantie'. Het doel is niet technisch zoeken, maar gericht simpele info vinden.

Handige woorden bij zoeken

Woorden die vaak helpen:


  • naam

  • leeftijd

  • woont in

  • houdt van

  • gaat naar school

Laat zien dat deze woorden ook terugkomen in antwoorden. Zo leren leerlingen zoeken én herkennen.

Welk zoekwoord is het best?

A

school vakantie

B

waar woon je

C

Emma hobby

D

ik zoek Emma

Toetst het idee van korte, gerichte zoekwoorden: naam of onderwerp, zonder hele zinnen.

Vul de woorden in

Je zoekt online met korte woorden. Je kijkt naar belangrijke informatie. Vaak zoek je basisgegevens, zoals naam en hobby’s.

korte woorden
belangrijke informatie
naam
lange zinnen
moeilijke tekst
vraagteken
antwoord

De ontbrekende woorden komen direct uit de slides over online zoeken en basisgegevens.

Korte vragen stellen

Een goede vraag is:


  • kort

  • duidelijk

  • over één onderwerp


Voorbeeld: Waar woon je?

Leg uit dat een korte vraag makkelijker te begrijpen en te beantwoorden is, zeker op A1-niveau.

Vraagwoorden

  • wie = persoon

  • wat = ding of informatie

  • waar = plaats

  • wanneer = tijd

  • hoe = manier

Houd de betekenis van elk vraagwoord heel concreet. Gebruik steeds één kort voorbeeld mondeling.

Voorbeelden van vragen

  • Wie is jouw vriend?

  • Wat is jouw hobby?

  • Waar woon je?

  • Wanneer heb je school?

  • Hoe ga je naar school?

This item has no instructions

Vraag of antwoord?

Een vraag vraagt om informatie.

Een antwoord geeft informatie.


  • Vraag: Waar woon je?

  • Antwoord: Ik woon in Utrecht.

Wijs ook op het vraagteken bij een vraag. Dat visuele kenmerk helpt leerlingen snel onderscheid maken.

Welk vraagwoord past bij een plaats?

A

wie

B

waar

C

wanneer

D

hoe

Controleert of leerlingen vraagwoorden kunnen koppelen aan soort informatie.

Wat is een antwoord?

A

Waar woon je?

B

Hoe ga je naar school?

C

Ik woon in Utrecht.

D

Wanneer heb je school?

Drie opties zijn vragen; één optie geeft informatie en is dus een antwoord.

Vraag en antwoord

Een vraag vraagt om informatie. Een antwoord geeft informatie. Bij een plaats vraag je: Waar woon je?

vraag
antwoord
Waar
naam
wie
zoeken
school

Let op dat leerlingen het verschil tussen vraag en antwoord begrijpen én het juiste vraagwoord herkennen.

Antwoorden herkennen

  • zoek het belangrijke woord

  • let op naam, plaats of tijd

  • lees het antwoord rustig

  • kies alleen wat je nodig hebt

Maak duidelijk dat leerlingen niet elk woord hoeven te begrijpen. Het gaat om de kern van het antwoord.

Antwoorden noteren

Je kunt informatie noteren als:


  • een eenvoudige zin

  • steekwoorden


Voorbeeld:

Woonplaats: Rotterdam

Leg uit dat beide vormen goed zijn: een hele zin of korte notities. Kies wat het makkelijkst is voor de taak.

Van vraag naar antwoord

Wat is je hobby? → Mijn hobby is voetbal.


Waar woon je? → Ik woon in Den Haag.


Wanneer begint school? → School begint om 8 uur.

Gebruik deze slide om de koppeling tussen vraagwoord en soort antwoord expliciet te maken.

Informatie uit het dagelijks leven

  • informatie over een persoon

  • informatie over een land

  • informatie over een dier

  • informatie over school

  • informatie over een praktisch onderwerp

Laat zien dat dezelfde aanpak steeds terugkomt: zoeken, vraag lezen of stellen, antwoord herkennen, noteren.

Handig stappenplan

Zo verzamel je informatie:


  1. kies het onderwerp

  2. zoek naar basisgegevens

  3. stel een korte vraag

  4. herken het antwoord

  5. noteer de informatie

Dit is de samenvattende lijn van de les. Verbind hier alle eerdere slides aan elkaar.

Hoe noteer je informatie kort?

A

met moeilijke zinnen

B

als steekwoorden

C

met veel details

D

als lange vraag

Sluit aan bij de slides over antwoorden herkennen en noteren.

Stappenplan

Eerst kies je het onderwerp. Daarna zoek je naar basisgegevens. Dan noteer je de informatie in steekwoorden of een korte zin.

onderwerp
basisgegevens
steekwoorden
vraagwoord
antwoord
plaats
tijd

Controleert de samenvattende kern van het stappenplan.

Bedenk één korte vraag over school of een dier.

Mogelijke goede elementen: een kort voorbeeld met onderwerp + vraag + kort antwoord/notitie, bijvoorbeeld 'Dier. Waar woont het? Woont in Afrika.' Bespreek vooral of de vraag kort en duidelijk is.

Wat heb jij vandaag geleerd?

Reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen iets noemen als zoeken, vraagwoorden, vraag of antwoord, antwoorden noteren.

Wat vond jij moeilijk in deze les?

Reflectie zonder goed of fout. Mogelijke punten: vraagwoorden, korte zoekwoorden, verschil tussen vraag en antwoord, noteren.

Woordenlijst

informatie - gegevens die je wilt weten

basisgegevens - eenvoudige gegevens, zoals naam en woonplaats

zoeken - iets proberen te vinden

vraag - een zin waarmee je informatie vraagt

antwoord - een zin die informatie geeft

vraagwoord - een woord zoals wie, wat, waar, wanneer, hoe

steekwoorden - korte woorden om iets op te schrijven

This item has no instructions