17-04

Welke twee soorten kosten gebruikten we bij de standaard kostprijs?
A
vaste & constante kosten
B
vaste en variabele kosten
C
bedrijfskosten en vaste kosten
D
varierende kosten & variabele kosten
1 / 34
next
Slide 1: Quiz
BedrijfseconomieMBOStudiejaar 2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Welke twee soorten kosten gebruikten we bij de standaard kostprijs?
A
vaste & constante kosten
B
vaste en variabele kosten
C
bedrijfskosten en vaste kosten
D
varierende kosten & variabele kosten

Slide 1 - Quiz

Integrale kostprijs
  • Vaste kosten / Constante kosten
  •  Variabele kosteen

Slide 2 - Slide

Waar staan de letters voor ? 

Slide 3 - Slide

standaard kostprijs =
A
Variabele kosten per product
B
variabele kosten pp + constante kosten pp
C
variabele kosten pp + constante kosten pp + verkoopkosten
D
Constante kosten per product

Slide 4 - Quiz

Megan heeft €4,- aan variabele kosten pp. en € 2,- aan constante kosten pp.
Wat is haar standaard kostprijs?
A
€ 4,-
B
€ 2,-
C
€ 6,-
D
€ 10,-

Slide 5 - Quiz

standaard kostprijs + winst =
A
Btw
B
Commerciële kostprijs
C
Verkoopprijs
D
Differentiële kostprijs

Slide 6 - Quiz

Break even analyse

Slide 7 - Slide

Break - even
A
Opbrensten = Kosten
B
Variabele kosten = Vaste kosten
C
Winst = Verlies
D
OMZET-VASTE KOSTEN

Slide 8 - Quiz

De formule voor de break-even afzet is:
A
constante kosten / (inkoopprijs - variabele kosten)
B
variabele kosten / (inkoopprijs - variabele kosten)
C
constante kosten / (verkoopprijs - variabele kosten)
D
constante kosten / variabele kosten

Slide 9 - Quiz

waar staan de letters voor? 

Slide 10 - Slide

Hoe beïnvloeden variabele kosten de dekkingsbijdrage?
A
Variabele kosten verhogen altijd de dekkingsbijdrage
B
Hogere variabele kosten verlagen de dekkingsbijdrage
C
Lagere variabele kosten verlagen de dekkingsbijdrage
D
Variabele kosten hebben geen invloed op de dekkingsbijdrage

Slide 11 - Quiz

Ik verkoop een product voor € 5,-. De inkoopprijs van de product is € 2,50. De constante kosten zijn € 750. Wat is de dekkingsbijdragen?
A
€ 750
B
€ 5,-
C
€ 2,50
D
€ 7,50

Slide 12 - Quiz

De constante kosten zijn €105.000. De verkoopprijs van een artikel is €15. De variabele kosten per stuk zijn €3. Bereken de break even afzet
A
8700
B
5000
C
8750
D
6540

Slide 13 - Quiz

De roze nepwimpers
totale Constante kosten zijn € 100.000. De variabele kosten per stuk zijn € 0,80 en de verkoopprijs is € 1,20
Wat is de break-even afzet?

Slide 14 - Open question

2 varianten
1 Break even afzet (BEA)
  • Het Break Even Punt in stuks                    AFZET

2 Break even omzet (BEO)
  • Het Break Even Punt in geld                      OMZET

Slide 15 - Slide

De consumentenprijs is altijd
exclusief BTW
A
Waar
B
Niet waar

Slide 16 - Quiz

Hoe maken we van de Break-even afzet de Break-even omzet?
A
break-evenafzet x variabele kosten
B
break-even omzet x verkoopprijs
C
break -even afzet x verkoopprijs
D
brea-even afzet x vaste kosten

Slide 17 - Quiz

wat is het verschil uit tussen variabele kosten en constante kosten
A
Constante kosten zijn afhankelijk van het aantal producten (afzet) dat wordt gemaakt
B
Variabele kosten zijn afhankelijk van het aantal producten (afzet) dat wordt gemaakt
C
Variabele kosten zijn altijd gelijk
D
Constante kosten blijven gelijk gedurende het bestaan van een bedrijf

Slide 18 - Quiz

Break-even omzet
Als je de break-even afzet weet kun je heel gemakkelijk 
de break-even omzet berekenen:

=  break-even afzet  x  verkoopprijs per stuk

Slide 19 - Slide

Vaste kosten: €2.450,00
Variabele kosten per T-shirt: €12,00
Verkoopprijs per T-shirt: €20,75
Wat is de Break-even omzet van de kleermaker?

Slide 20 - Open question

Kosten van een bedrijf zijn €360.000, 60% daarvan is constant. Verkoopprijs is €23 en de variabele productiekosten zijn €8. De verwachte productie is 30.000 stuks.
Hoe hoog is de break even afzet?
A
14.400
B
16.666
C
21.177
D
18.445

Slide 21 - Quiz

Wat wordt er met 'begroting' bedoeld
A
overzicht van de huidige inkomsten en uitgaven
B
overzicht van de huidige opbrengsten en kosten
C
een planning van de toekomstige inkomsten en uitgaven

Slide 22 - Quiz

Een begroting van alle ontvangsten en uitgaven heet
A
explotatiebegroting
B
liquiditeitsbegroting
C
Balans
D
Verlies & Winst rekening

Slide 23 - Quiz

Welk deelresultaat is een onderdeel van een resultatenrekening volgens de methode direct costing?
A
Brutowinst
B
Bezettingsresultaat
C
Transactieresultaat
D
Dekkingsbijdrage

Slide 24 - Quiz

Constante kosten
Variabele kosten
Machines
Afschrijvingskosten
Huur
Fietsonderdelen
Loon oproepkrachten
Loon in vaste dienst
Reclamekosten
Verpakkingsmateriaal

Slide 25 - Drag question

Wat is consumentenprijs?
A
De prijs die een producent betaalt voor grondstoffen.
B
De prijs die een winkel betaalt voor het opslaan van producten.
C
De prijs die de consument betaald voor product of dienst.
D
De prijs die de overheid oplegt als belasting op consumptie.

Slide 26 - Quiz

Wat is de formule voor efficiency resultaat?
A
(Sh-Wh) x Wp
B
(Sp-Wh) x Wp
C
(Sh-Wp) x Sp
D
(Sh-Wh) x Sp

Slide 27 - Quiz

Wat is het voorcalculatorische verkoopresultaat?
A
Werkelijke afzet × (werkelijke prijs – kostprijs)
B
Toegestane kosten – werkelijke kosten
C
Werkelijke opbrengsten – werkelijke kosten
D
Verwachte afzet × (verwachte verkoopprijs – kostprijs)

Slide 28 - Quiz

Bereken het verwachte bedrijfsresultaat op 2 manieren
A
Verwacht Verkoopresultaat + verwacht Budgetresultaat
B
Verwacht Prijsresultaat + Verwacht Efficiency resultaat
C
Verwachte omzet - Verwachte kosten
D
Verwacht Prijsresultaat + Verwacht Efficiencyresultaat + verwacht Bezettingsresultaat

Slide 29 - Quiz

een negatief bezettingsresultaat is:
A
het verschil tussen de begrote en werkelijke constante kosten bij een hogere bezetting
B
het verschil tussen de begrote en werkelijke totale kosten bij een hogere bezetting
C
het deel van de constante kosten dat niet gedekt is omdat de werkelijke bezetting afwijkt van de verwachte bezetting
D
het deel van de constante kosten dat niet gedekt is omdat de werkelijke bezetting afwijkt van de normale bezetting

Slide 30 - Quiz

Wat is het verschil tussen voor- en nacalculatie?
A
Alleen nacalculatie telt
B
Voorafschatting versus werkelijke resultaten
C
Beiden zijn gelijk
D
Enkel voorcalculatie is belangrijk

Slide 31 - Quiz

Wat geeft het efficiencyresultaat aan?
A
Afwijking van werkelijke kosten
B
Afwijking van verkoopresultaat
C
Afwijking van standaardhoeveelheid
D
Afwijking van begrote opbrengsten

Slide 32 - Quiz

De standaard kostprijs formule is:
timer
1:00
A
N/C + V/B
B
C/B + V/N
C
C/N + V/B
D
C/N + V / N

Slide 33 - Quiz

Wat is het doel van het berekenen van prijs- en efficiency resultaten?
A
Fijne rekensommen voor de boekhouder
B
Vaststellen of het bedrijf winstgevend is
C
Stuurinformatie voor het management
D
Verwerken in de balans

Slide 34 - Quiz