De spelling van de werkwoorden

De spelling van de werkwoorden
1 / 99
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecundair onderwijs

This lesson contains 99 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

De spelling van de werkwoorden

Slide 1 - Slide

Je kan
  • werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd
  • werkwoorden vervoegen in de verleden tijd
  • het voltooid deelwoord geven van werkwoorden

Slide 2 - Slide

Je kan werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd.

Slide 3 - Poll

Je kan werkwoorden vervoegen in de verleden tijd.

Slide 4 - Poll

Je kan het voltooid deelwoord geven van werkwoorden.

Slide 5 - Poll

Werkwoord

Slide 6 - Mind map

tegenwoordige tijd
A
nu
B
toen

Slide 7 - Quiz

Wat is de verleden tijd?
A
nu
B
vroeger
C
wat nog moet komen

Slide 8 - Quiz

Tegenwoordige tijd
  • Tijd van nu
  • Iets of iemand is op dit moment iets aan het doen
  • De gebeurtenis is nog de gang


Verleden tijd
  • Tijd van vroeger
  • Vroeger kan jaren geleden, maar ook een minuut geleden zijn
  • Een gebeurtenis is voorbij

Slide 9 - Slide

De agent parkeert de politieauto.
A
Tegenwoordige tijd
B
Verleden tijd

Slide 10 - Quiz

De jongen fietste vorige week elke dag naar de voetbaltraining.
A
Tegenwoordige tijd
B
Verleden tijd

Slide 11 - Quiz

De conducteur controleert mijn vervoersbewijs.
A
Tegenwoordige tijd
B
Verleden tijd

Slide 12 - Quiz

De trein had vertraging.
A
Tegenwoordige tijd
B
Verleden tijd

Slide 13 - Quiz





DE INFINITIEF VAN EEN WERKWOORD

Slide 14 - Slide

Wat is de infinitief van ... ?
leest

Slide 15 - Open question

Wat is de infinitief van ... ?
voetbal

Slide 16 - Open question

Wat is de infinitief van ... ?
schrijf

Slide 17 - Open question

Wat is de infinitief van het werkwoord 'knipt' ?
A
knipen
B
knippen
C
knip
D
knipt

Slide 18 - Quiz

Stam van het werkwoord
  • hele werkwoord zonder -en
  • meestal gelijk aan de ik-vorm


Slide 19 - Slide

Hele werkwoord

kijken

binden

branden

rijden
Stam

(ik) kijk

(ik) bind

(ik) brand

(ik) rijd

Slide 20 - Slide

Lange klank
Als je in het hele werkwoord een lange klank hoort, schrijf je in de stam ook een lange klank.
--> de klinker in de stam verdubbelen.

Slide 21 - Slide

Hele werkwoord

rapen

steken

sturen

Stam

(ik) raap

(ik) steek

(ik) stuur

Slide 22 - Slide

Geen v of z
  • een v wordt een f
  • een z wordt een s

Slide 23 - Slide

Hele werkwoord

leven

reizen

lezen
Stam

(ik) leef

(ik) reis

(ik) lees

Slide 24 - Slide

Oefening
Geef telkens de stam van het werkwoord.

Slide 25 - Slide

Wat is de stam van ... ?
studeren

Slide 26 - Open question

Wat is de stam van ... ?
geven

Slide 27 - Open question

Wat is de stam van ... ?
liggen

Slide 28 - Open question

Sleep de stam naar de juiste infinitief.
helpen
mediteren
praten
praat
mediteer
help

Slide 29 - Drag question

Wat is de stam van ... ?
richten

Slide 30 - Open question

Wat is de stam van ... ?
lachen

Slide 31 - Open question

Wat is de stam van ... ?
leren

Slide 32 - Open question

Wat is de stam van ... ?
niezen

Slide 33 - Open question

Wat is de stam van ... ?
durven

Slide 34 - Open question

Wat is de stam van ... ?
glimmen

Slide 35 - Open question

Wat is de stam van ... ?
boren

Slide 36 - Open question





DE TIJD VAN EEN WERKWOORD

Slide 37 - Slide

In welke tijd staat dit werkwoord?
studeren

Slide 38 - Open question

In welke tijd staat dit werkwoord?
oefende

Slide 39 - Open question

In welke tijd staat dit werkwoord?
startte


Slide 40 - Open question

In welke tijd staat dit werkwoord?
vliegen

Slide 41 - Open question

Sleep de werkwoorden naar de juiste tijd.
tegenwoordige tijd
verleden tijd
zitten
knipte
belde
kijken
praatte

Slide 42 - Drag question

Werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd

  • ik ...... -> stam
  • jij of je ...... -> stam + T                                                               OPGELET!!!      ...... jij of je   -> STAM  !!!!
  • hij, zij of iets of iemand anders ...... -> Stam + t
  • wij ...... -> infinitief
  • jullie ...... -> infinitief
  • zij ...... -> infinitief

Slide 43 - Slide

Je beteken... alles voor haar.
(tegenwoordige tijd)
A
betekend
B
betekende
C
betekent
D
betekendt

Slide 44 - Quiz

Tegenwoordige tijd
A
hij bediend
B
hij bedient
C
hij bediendt

Slide 45 - Quiz


Vervoeg in de tegenwoordige tijd.
A
vind
B
vint
C
vindt
D
vond

Slide 46 - Quiz

Duid de juiste werkwoordspelling aan:
A
Het is fijn dat je dit onthoudt.
B
Het is fijn dat je dit onthoud.

Slide 47 - Quiz

De 'tegenwoordige tijd' is NU.
Welke zin is in de tegenwoordige tijd?
A
De kinderen spelen in de tuin.
B
De kinderen speelden in de tuin.

Slide 48 - Quiz


Vervoeg in de tegenwoordige tijd.
A
gebruikt
B
gebruikd
C
gebruikte
D
gebruiken

Slide 49 - Quiz

Geef de juiste vorm van de onvoltooid tegenwoordige tijd in onderstaande zin:

Het bos ......... (branden) volledig uit.
A
brant
B
brand
C
brandt
D
brandde

Slide 50 - Quiz

Regelmatige werkwoorden

Stam + te(n)
bv:  hij raakte, zij raakten

Stam + de(n)
bv: hij zeilde, wij zeilden


Onregelmatige werkwoorden

Klank verandert
bv: hij krijgt -> hij kreeg

Woord verandert
bv: hij is -> hij was

Slide 51 - Slide

Regelmatige werkwoorden

Slide 52 - Slide

Slide 53 - Slide

Geef de verleden tijd van: Ik werk
A
Ik heb gewerkt
B
Ik werkte
C
Ik workte
D
ik werkt

Slide 54 - Quiz

Zet in de verleden tijd: Hij _________ (rusten) op zijn bed.
A
ruste
B
rustte

Slide 55 - Quiz

Zet in de verleden tijd: Hij _________ (kammen) zijn haar.
A
kamde
B
kamte

Slide 56 - Quiz

Wat is de verleden tijd van ...
scheiden?
A
scheed
B
scheidde
C
💩

Slide 57 - Quiz

Wat is de verleden tijd van 'wij huppelen'.
A
huppelde
B
huppelden
C
huppelten
D
huppel

Slide 58 - Quiz

Zet de onderstaande werkwoorden in de verleden tijd.
wij bedanken

Slide 59 - Open question

Zet de onderstaande werkwoorden
in de verleden tijd:
hij verwacht


Slide 60 - Open question

Zet de onderstaande werkwoorden
in de verleden tijd:
het regent


Slide 61 - Open question

Zet de onderstaande werkwoorden
in de verleden tijd:
zij landen


Slide 62 - Open question

onregelmatige werkwoorden

van buiten leren
lijst raadplegen

Slide 63 - Slide

Wat is de verleden tijd van ...
blazen?
A
blies
B
blaasde
C
blaazde

Slide 64 - Quiz


Wat is de verleden tijd van 'Eet'
A
Eette
B
Ete
C
At
D
Atte

Slide 65 - Quiz

Zet de onderstaande werkwoorden
in de verleden tijd:
de meisjes drinken


Slide 66 - Open question

Zet de onderstaande werkwoorden
in de verleden tijd:
de jongens snijden


Slide 67 - Open question

Zet de onderstaande werkwoorden
in de verleden tijd:
de blaadjes vallen


Slide 68 - Open question




ALLES DOOR ELKAAR



Slide 69 - Slide


Vul de zinnen in (persoonsvorm in de verleden tijd)
Wij (slapen) tijdens de les.
Mama (fietsen) in het midden van de rijbaan.
Hij (verplichten) ons om binnen te blijven.

Slide 70 - Open question

Geef de juiste persoonsvorm in de VT:

Hij ....................... (huilen) omdat de meester ziek is.

Slide 71 - Open question

Geef de juiste persoonsvorm in de VT:

Jij ............................... (komen) te laat de klas binnen.

Slide 72 - Open question

sleep de werkwoorden naar de juiste tijd.


tegenwoordige tijd
verleden tijd
praatten
rusten

Slide 73 - Drag question

Het voltooid deelwoord

Slide 74 - Slide

Voltooid deelwoord
  • hulpwerkwoorden 'hebben' of 'zijn'
Voorbeelden:
Ik heb geslapen.
Hij was gefopt.
Ik zal gesnoept hebben.

Slide 75 - Slide

Waar staat het voltooid deelwoord?
A
Vooraan in de zin
B
C
Achteraan in de zin

Slide 76 - Quiz

Het V.D. staat ALTIJD ACHTERAAN in de zin!

Slide 77 - Slide

HOE VORMEN WE HET V.D.?!

Met voorvoegsels

Slide 78 - Slide

Met welke voorvoegsels vormen we het VD?
A
er/her/ont
B
aan/ver
C
be/ge/ver/onder

Slide 79 - Quiz

Waarop eindigt het V.D.?!


D of T?!
Daarop gaan we oefenen!! 

Slide 80 - Slide

Hoe vinden?
Welke letter op het einde? -> verlengen
Ik heb iets geraakt/geraakd? -> raakte -> geraakt
Ik heb het geprobeert/geprobeerd? -> probeerde -> geprobeerd

Slide 81 - Slide

Hoe weet je of er een d of een t op het einde van het VD komt?

Slide 82 - Open question

Ik heb de stad (bezoeken).
A
bezoekt
B
bezocht
C
gebezoekt
D
bezochd

Slide 83 - Quiz

De oude man heeft veel (reizen)

A
gerezen
B
gereisd
C
gereist
D
gerijsd

Slide 84 - Quiz

Het meisje is heel ziek (zijn)
A
gezijn
B
geweest
C
geweesd
D
gewezen

Slide 85 - Quiz

Ze had de verfkleur goed (kiezen)
A
gekiest
B
gekozen
C
gekiesd
D
gekosen

Slide 86 - Quiz

Hij was snel naar huis (rennen)
A
gerend
B
gerennen
C
gerent
D
gelopen

Slide 87 - Quiz

Mijn vriendin heeft ijsjes mee (brengen)
A
gebrengt
B
gebrachd
C
gebracht
D
gebrengen

Slide 88 - Quiz

Zelf in te vullen:
Oma had heel lekker (koken)

Slide 89 - Open question

De boef is uit de gevangenis (ontsnappen)

Slide 90 - Open question

Ik heb mijn opa in het rusthuis (bezoeken)

Slide 91 - Open question

We hebben super lekkere limonade (drinken)

Slide 92 - Open question

Zet in voltooid deelwoord tijd: Hij heeft _________ (rusten).
A
gerust
B
gerusd

Slide 93 - Quiz

Zet in voltooid deelwoord tijd: Hij heeft _________ (leven).
A
geleeft
B
geleefd

Slide 94 - Quiz

Wat is het voltooid deelwoord van

VRAGEN
A
gevragen
B
gevraag
C
gevraagd
D
gevraagt

Slide 95 - Quiz

Wat is het voltooid deelwoord van

RUILEN
A
geruilen
B
geruild
C
geruilt

Slide 96 - Quiz

Ik kan werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd.

Slide 97 - Poll

Ik kan werkwoorden vervoegen in de verleden tijd.

Slide 98 - Poll

Ik kan het voltooid deelwoord geven van werkwoorden.

Slide 99 - Poll