Herhalen Hoofdstuk 5

Herhalen Hoofdstuk 5
1 / 34
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Herhalen Hoofdstuk 5

Slide 1 - Slide

Marktvorm waarbij er geen sprake is van marktwerking
A
Vrijemarkteconomie
B
Planeconomie
C
Sociale markteconomie

Slide 2 - Quiz

De Franse overheid bevriest tijdelijk de gasprijs.
A
vrije markt
B
planeconomie
C
sociale markteconomie

Slide 3 - Quiz

In Noord-Korea bepaalt de overheid de prijzen van producten.
A
vrije markt
B
planeconomie
C
sociale markteconomie

Slide 4 - Quiz

In de collectieve sector heb je altijd te maken met marktwerking
A
Juist altijd
B
Onjuist, er is nooit sprake van marktwerking

Slide 5 - Quiz

Stelling 1: Privatiseren is het verplaatsen van de productie door de overheid naar particuliere sector.
Stelling 2: Privatisering geeft alleen maar voordelen voor de consument.
A
Beide stellingen zijn goed
B
Stelling 1 is goed, stelling 2 is fout
C
Stelling 1 is fout, stelling 2 is goed
D
Beide stellingen zijn fout

Slide 6 - Quiz

Door privatisering wordt de .... steeds kleiner.
A
Particuliere sector
B
Collectieve sector

Slide 7 - Quiz


Werken bij defensie
A
Particuliere sector
B
Collectieve sector

Slide 8 - Quiz

Wat gebeurt er als de subsidie voor bibliotheken omlaag gaat? Zet in de juiste volgorde.
Minder boeken geleend
Minder werk in bieb
Subsidie lager
Mensen moeten meer betalen voor lenen

Slide 9 - Drag question

Wat is een voorbeeld van een subsidie?
A
De huur die je moet betalen
B
Het krijgen van huurtoeslag
C
Het betalen van je belasting
D
Een lening voor je auto

Slide 10 - Quiz

Wat zijn accijns?
A
extra kosten op voedsel
B
belasting voor kleding
C
Een financiële bijdrage vanuit de overheid
D
extra belasting op tabak, drank en benzine

Slide 11 - Quiz

Accijns gaat naar ...
A
de gemeente.
B
de provincie.
C
het Rijk.
D
alledrie.

Slide 12 - Quiz

Vraag 10:
Accijns
Subsidie
Dit ontvang je van de overheid
Dit betaal je via de winkelier aan de overheid
Stimuleert mensen om iets te kopen
Het doel is dat zo min mogelijk mensen deze producten kopen.
Sigaretten
Alcohol
Diesel en benzine
Het isoleren van je huis
Museumbezoek

Slide 13 - Drag question

Voor- en nadelen van privatiseren
Sleep de zinnen in de juiste kolom
Voordelen
Nadelen
Lagere prijzen door marktwerking
Meer keuzevrijheid voor consumenten
Kans op betere kwaliteit
Overheid heeft geen toezicht meer
Minder kosten voor overheid

Slide 14 - Drag question

Tekst
Tekst
Waar
Niet waar
Accijns ontmoedigd bepaalde dingen te kopen 
In de particuliere sector willen bedrijven winst maken
Door subsidie wordt bv. de bibliotheek goedkoper.
Bij privatisering is er geen marktwerking
Een dijk is een voorbeeld van collectieve goederen

Slide 15 - Drag question

Planeconomie
Vrijemarkt economie
Sociale markteconomie
De overheid bepaalt het aanbod
Tekorten / slechte kwaliteit
Recht van de sterkste
Weinig wetten en regels
Subsidies en uitkeringen
De sterke helpt de zwakke

Slide 16 - Drag question

Houdt de cijfers bij
Onderzoekt gevolgen economische maatregelen
Adviseren over onderwerpen als werkgelegenheid
CBS
CPB
SER

Slide 17 - Drag question

Het verschil tussen recessie en depressie ...
A
krimp van het BBP die langere tijd aanhoudt
B
Recessie is 2 kwartalen achteruitgang en depressie minimaal jaar lang negatieve groei
C
In beide gevallen daalt het reële BBP
D
Bij een depressie is er een lagere economische groei dan gem. of zelfs daling gedurende 2 maanden

Slide 18 - Quiz

De overheid wil een economie in laagconjunctuur stimuleren. Wat is géén manier om de economie te stimuleren?
A
De inkomstenbelasting verlagen
B
De eigen overheidsbestedingen verhogen
C
Het btw-tarief op producten van 21% naar 25% aanpassen
D
Uitkeringen verhogen

Slide 19 - Quiz

Wat is niet juist over het solidariteitsbeginsel?
A
Het solidariteitsbeginsel zorgt voor een oneerlijkere verdeling van het welzijn.
B
Het houdt in dat iedereen een stukje van zijn inkomen afstaat aan de armere mensen.
C
Een AOW of WW is een voorbeeld van een solidariteitsbeginsel.
D
De sterkeren helpen de zwakkeren.

Slide 20 - Quiz

Werknemersverzekering
Volksverzekering

AOW
WW
WIA
ANW

Slide 21 - Drag question

Hoe heet het overdrachtsinkomen waarbij het inkomen word aangevuld tot het sociaal minimum?
A
Kinderbijslag
B
Zorgtoeslag
C
Bijstand
D
Huurtoeslag

Slide 22 - Quiz

Wie bepaalt hoe hoog het sociaal minimum is?
A
De gemeente
B
De belastingdienst
C
Minister van sociale zaken
D
Het UWV

Slide 23 - Quiz

Volksverzekering
Werknemersverzekering
Deze verzekering is bestemd voor alle inwoners van Nederland.
De premie wordt door de werkgever betaald
Deze verzekering is voor mensen die in loondienst werken of gewerkt hebben.
Iedereen betaalt een percentage van het inkomen als premie.

Slide 24 - Drag question

Het minimumbedrag dat je volgens de overheid nodig hebt om van te kunnen leven. 
Zo word Nederland, vanwege zijn goede voorzieningen, ook wel genoemd 
Hier zijn uitkeringen onderdeel van 
Sociaal minimum
Verzorgingsstaat 
Sociale zekerheid

Slide 25 - Drag question

De inkomsten op de rijksbegroting zijn lager dan de uitgaven.
Uitkering die betaald wordt met belastinggeld. Voorbeeld is de bijstand.
Land waarvan de overheid zorgt voor goede sociale zekerheid, gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs voor iedereen.
De inkomsten op de rijksbegroting zijn hoger dan de uitgaven.
Begrotingsoverschot
Begrotingstekort
Verzorgingsstaat
Sociale voorziening

Slide 26 - Drag question

Een overzicht van verwachte inkomsten en verwachte uitgaven van rijksoverheid voor het komende jaar. 
Toelichting op de rijksbegroting door de minister van Financiën over de gemaakte keuzes. 
Een schuld die is opgebouwd in alle jaren dat de overheid een begrotingstekort had en dus geld heeft moeten lenen van banken. 
Miljoenennota
Rijksbegroting 
Staatsschuld 

Slide 27 - Drag question

45 miljard = ... miljoen
A
4500
B
450
C
0,45
D
45000

Slide 28 - Quiz

650 miljoen = ... miljard
A
65
B
0,65
C
650.000
D
6,5

Slide 29 - Quiz

€ 200 miljoen x 5.000 = ... miljard
miljoen x duizend = miljard
A
€1 miljard
B
€10 miljard
C
€100 miljard
D
€1.000 miljard

Slide 30 - Quiz

Belastingen
Niet-belastingontvangsten
BTW
Accijns
Winst overheidsbedrijven
Boetes
Inkomsten-belasting

Slide 31 - Drag question

Bij welk antwoord staan alleen gemeentelijke inkomsten
A
OZB, BTW en het Rijk
B
Het rijk, leges, OZB
C
OZB, afvalstofheffing, BTW
D
Afvalstofheffing, BTW en rioolrechten

Slide 32 - Quiz

Directe belasting
Indirecte belasting
Andere inkomsten

Slide 33 - Drag question

Wat zijn de belangrijkste inkomsten van een gemeente?
A
Inkomsten vanuit het rijk
B
Gemeentebelastingen
C
Geld vanuit de verkoop van paspoorten
D
Geld vanuit parkeerboetes

Slide 34 - Quiz