werkwoorden vervoegen

werkwoorden vervoegen
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NT2Secundair onderwijs

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

werkwoorden vervoegen

Slide 1 - Slide

werken
ik werk
jij werkt
hij/zij/de man werkt
wij / jullie / zij werken
STAM
STAM + t
STAM + t
INFINITIEF

Slide 2 - Slide

Schrijf het werkwoord:
Hij _______ (lachen) met je grap.

Slide 3 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Ik _______ (worden) 14 jaar.

Slide 4 - Open question

Schrijf het werkwoord:
De Rode Duivels______(spelen) voetbal.

Slide 5 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Papa ________(werken) in de tuin.

Slide 6 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Jij ________(houden) van cricket.

Slide 7 - Open question

werkwoord met een
lange klank
wonen    -->     woon
spreken  -->    spreek
 

Slide 8 - Slide

Schrijf het werkwoord:
Jij ________(wonen) in Boom.

Slide 9 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Ik ________(slapen) om 22 uur.

Slide 10 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Hij ________(nemen) zijn pen.

Slide 11 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Het meisje ________(kopen) een appel.

Slide 12 - Open question

werkwoord met 
dubbele medeklinkers
tellen    -->     tel
zitten  -->   zit
 

Slide 13 - Slide

Schrijf het werkwoord:
De man ________(tellen) het geld.

Slide 14 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Ik ________(zeggen) mijn naam.

Slide 15 - Open question

Schrijf het werkwoord:
De leerling ________(zitten) op zijn stoel.

Slide 16 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Mama ________(kammen) mijn haar.

Slide 17 - Open question

werkwoord met -ven
v --> f
geven --> geef       Hij geeft een cadeau.
 

Slide 18 - Slide

werkwoord met -zen
z --> s
lezen --> lees       Zij leest een boek.
 

Slide 19 - Slide

Schrijf het werkwoord:
Jij ________(verven) de muur van je kamer.

Slide 20 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Ik________(lezen) het nieuws op mijn telefoon.

Slide 21 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Papa________(graven) een put.

Slide 22 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Ik ________(wuiven) naar de leerkracht.

Slide 23 - Open question

Schrijf het werkwoord:
Het kind ________(wijzen) naar het snoep.

Slide 24 - Open question