Grammatica 2.2 + 2.3

Grammatica 2.2 
Lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp
Enkelvoudige, samengestelde zin
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Grammatica 2.2 
Lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp
Enkelvoudige, samengestelde zin

Slide 1 - Slide

Zinnen ontleden
  • Persoonsvorm (pv)
  • Gezegde (gez)
  • Onderwerp (ow)
  • Lijdend voorwerp (lv)
  • Meewerkend voorwerp (mv)
  • Bijwoordelijke bepaling (bwb)

Slide 2 - Slide

Hoe vind je de persoonsvorm (pv) in een zin?
A
Wat + onderwerp?
B
De zin in een andere tijd zetten.
C
De zin vragend maken.
D
Alle werkwoorden in de zin.

Slide 3 - Quiz

Wat is het werkwoordelijk gezegde (wwg) in de zin?
A
Alleen de pv.
B
Alle werkwoorden behalve de pv
C
Pv + alle andere werkwoorden.
D
Wie of wat + pv?

Slide 4 - Quiz

Hoe vind je het onderwerp (ow) in een zin?
A
Wie of wat + pv?
B
Aan/Voor wie?
C
Wat of wie + pv + gezegde?
D
Alle werkwoorden in de zin.

Slide 5 - Quiz

Lijdend voorwerp
Een LV kan NOOIT met een voorzetsel beginnen.
Het LV ondergaat de handeling.

WAT of wie + onderwerp + gezegde?

Bijvoorbeeld:
Sanne heeft een portemonnee gevonden.
PV: 


Slide 6 - Slide

Lijdend voorwerp
WAT of wie + onderwerp + gezegde

Bijvoorbeeld:
Sanne heeft een portemonnee gevonden.
PV: heeft
OW: 


Slide 7 - Slide

Lijdend voorwerp
WAT of wie + onderwerp + gezegde

Bijvoorbeeld:
Sanne heeft een portemonnee gevonden.
PV: heeft
OW: Sanne
GEZ: 


Slide 8 - Slide

Lijdend voorwerp
WAT of wie + onderwerp + gezegde

Bijvoorbeeld:
Sanne heeft een portemonnee gevonden.
PV: heeft
OW: Sanne
GEZ: heeft gevonden


Slide 9 - Slide

Lijdend voorwerp
WAT of wie + onderwerp + gezegde

Bijvoorbeeld:
Sanne heeft een portemonnee gevonden.
PV: heeft
OW: Sanne
GEZ: heeft gevonden
LV: 

Slide 10 - Slide

Lijdend voorwerp
WAT of wie + onderwerp + gezegde

Bijvoorbeeld:
Sanne heeft een portemonnee gevonden.
PV: heeft
OW: Sanne
GEZ: heeft gevonden
LV: een portemonnee

Slide 11 - Slide

We hebben gisteren een cadeaubon gekocht. 
PV:
OW:
GEZ:
LV:

Slide 12 - Slide

Door corona heeft zij helaas het concours gemist. 
PV:
OW:
GEZ:
LV:

Slide 13 - Slide

Meewerkend voorwerp (MV)
Niet iedere zin heeft een MV.
Je kan de woorden 'voor' of 'aan' toevoegen of weghalen bij het MV.

Aan of voor wie + GEZ + OW + (LV)?
Bijvoorbeeld:
Hij heeft aan zijn moeder een cadeau gegeven.

Aan wie heeft hij een cadeau gegeven? -> MW: aan zijn moeder



Slide 14 - Slide

Anouk gaf een kus aan haar vriendje.
PV:
OW:
GEZ:
LV:
MV:

Slide 15 - Slide

Iris stuurt haar vriendin een kaartje.
PV:
OW:
GEZ:
LV:
MV:

Slide 16 - Slide

Bijwoordelijke bepaling (BWB)
  • Alles wat overblijft in de zin.
  • Geeft antwoord op vragen als waar, wanneer, hoe, waarheen, waarvandaan, waardoor, waarom.

Slide 17 - Slide

Vorige week zijn we naar de bioscoop geweest.
PV: 
OW:
GEZ:
LV:

Slide 18 - Slide