Week 10: Les membres du corps




                   La santé
1 / 23
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson




                   La santé

Slide 1 - Slide


Les membres du corps

Slide 2 - Slide


A
la bouche
B
le bouchon
C
la boutre
D
le bouton

Slide 3 - Quiz


A
le devoir
B
le doigt
C
le droit
D
le doing

Slide 4 - Quiz


A
l'oeil
B
l'oreillette
C
l'oreille
D
l'ongle

Slide 5 - Quiz


A
la même
B
la main
C
la mande
D
la haine

Slide 6 - Quiz


A
le doigt du pied
B
le pied
C
le pies
D
le piet

Slide 7 - Quiz

l'oeil
le bras
le pied
le dos
le genou
le ventre
la tête
het oog
de rug
de voet
de buik
de knie
de arm
het hoofd

Slide 8 - Drag question

AVOIR mal à .....
( pijn hebben aan) 

Slide 9 - Slide

Blz. 65
mal à la  + vrl woordje
mal au + mnl woordje
mal aux + meervoud woordje

Slide 10 - Slide


Hij heeft pijn aan zijn hoofd
A
il avoir mal a la tête
B
il a avoir mail a la tête
C
il a mal à la tête
D
il mal à la tête

Slide 11 - Quiz


Wij hebben pijn aan het been
A
nous avoir mal à la jambe
B
nous avons mal à la jambe
C
nous avoir avons mal à la jambe
D
nous allons mal à la jambe

Slide 12 - Quiz

zij hebben pijn aan de ogen
A
ils avoir mal aux yeux
B
ils ont mal à les yeux
C
ils ont avoir mal à les yeux
D
ils ont mal aux yeux

Slide 13 - Quiz

jij hebt pijn aan je neus
A
tu avoir as mal au nez
B
tu as mal à le nez
C
tu as mal au nez
D
tu as avoir mal à le nez

Slide 14 - Quiz

ik heb pijn aan de knie

Slide 15 - Open question

zij heeft pijn aan de arm

Slide 16 - Open question

De ontkenning in het Frans
Nederlands: niet of geen

Frans: ne ......pas

Slide 17 - Slide

ne ....... pas
Waar staat ne...pas?

Ne staat voor de persoonsvorm en pas staat erachter.

Slide 18 - Slide

Voorbeeld 1
Je chante une chanson.
Ik zing een lied.
Je ne chante pas une chanson.
Ik zing geen lied.

Slide 19 - Slide

Voorbeeld 2
Wanneer een persoonsvorm begint met een klinker of stomme h, verandert ne in n' (n-apostrophe).

Slide 20 - Slide

Onthoud
J'ai = eigenlijk je ai
C'est = eigenlijk ce est

Slide 21 - Slide

Voorbeeld 2
C'est un garçon.
Het is een jongen.
Ce n'est pas un garçon.
Het is geen jongen.

Slide 22 - Slide





Blz. 82 en 83



Hoe maak je deze zinnen ontkennend?

Slide 23 - Slide