H5 - naamvallen + lidwoorden

Schreibstunde H3 + H4
1 / 29
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Schreibstunde H3 + H4

Slide 1 - Slide

H2 - D: Je hebt in 8 zinnen beschreven hoe jouw zaterdag verloopt. Noteer hieronder 2 van die zinnen.

Slide 2 - Open question

1e naamval 
2e naamval 
3e naamval 
4e naamval 
naamwoordelijk deel van het gezegde
onderwerp 
verband tussen twee zelfstandige naamwoorden
meewerkend voorwerp 
voorzetsels: aus, bei, mit, nach, seit, von, zu
lijdend voorwerp
voorzetsels: durch, für, ohne, um, bis, gegen, entlang
voorzetsels: an, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor, zwischen
voorzetsels: statt, trotz, während, wegen, innerhalb, außerhalb

Slide 3 - Drag question

De naamvallen
Een zin bestaat uit zinsdelen. Elk zinsdeel heeft een bepaalde functie. Afhankelijk van de functie staat een zinsdeel in een bepaalde naamval: 




1e: Onderwerp + naamwoordelijk deel van het gezegde
2e: Verband tussen twee zelfstandige naamwoorden

3e: Meewerkend voorwerp 
4e: Lijdend Voorwerp + tijdsbepaling zonder voorzetsel 

Slide 4 - Slide

Hoe vind je het onderwerp


Wie/wat + gezegde*

* gezegde zijn alle werkwoorden in de zin

Slide 5 - Slide

Hoe vind je het naamwoordelijk deel van het gezegde


-als je alle drie de koppelwerkwoorden (sein, werden, bleiben) in de zin kunt invullen. ​
- als het om dezelfde persoon of hetzelfde ding gaat, is het ook een koppelwerkwoord

Slide 6 - Slide

Voorbeeld naamwoordelijk deel van het gezegde

Peter is mijn beste vriend​
--> Je kunt 'is' vervangen door wordt én blijft​
--> Peter en mijn beste vriend zijn dezelfde persoon​

 Dus: mijn beste vriend = naamwoordelijk deel van het gezegde (1e naamval )​: Peter ist mein bester Freund.





Slide 7 - Slide

Hoe vind je het lijdend voorwerp?



Wie/wat + gezegde + Onderwerp

Slide 8 - Slide

Hoe vind je het meewerkend voorwerp?



Je kunt voor het zinsdeel denkbeeldig 'aan' of 'voor' zetten

Slide 9 - Slide

Hoe vind je een 'verband'?
Met de 2e naamval wordt het verband tussen twee zelfstandige naamwoorden uitgedrukt. Je mag dan in het Duits geen 'von' zeggen.


Je kunt voor het zinsdeel denkbeeldig 'van' zetten

Slide 10 - Slide

mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
windrichtingen
meeste het-woorden
de dagen
woorden op -heit, -keit, - schaft - ung, -ik, ion, - tät
de maanden
de jaargetijden
woorden op -chen en -lein
meeste woorden op een -e

Slide 11 - Drag question

Professorin
A
der
B
die
C
das

Slide 12 - Quiz

Donnerstag
A
der
B
die
C
das

Slide 13 - Quiz

Kätzchen
A
der
B
die
C
das

Slide 14 - Quiz

Maschine
A
der
B
die
C
das

Slide 15 - Quiz

Bett
A
der
B
die
C
das

Slide 16 - Quiz

Direktor
A
der
B
die
C
das

Slide 17 - Quiz

Zeichnung
A
der
B
die
C
das

Slide 18 - Quiz

Fräulein
A
der
B
die
C
das

Slide 19 - Quiz

Herbst
A
der
B
die
C
das

Slide 20 - Quiz

Het bepaald lidwoord

Slide 21 - Mind map

het bepaald lidwoord
naamval
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1e 
der Mann
die Frau
das Kind
die Kinder
2e
des Mannes
der Frau
des Kindes
der Kinder
3e
dem Mann
der Frau
dem Kind
den Kindern
4e
den Mann
die Frau
das Kind
die Kinder

Slide 22 - Slide

Opmerkingen
  • In de tweede naamval krijgen mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden -es (één lettergreep) of -s (meer dan één lettergreep)                       
  • In de derde naamval meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord een -n (behalve wanneer het meervoud eindigt op een -n of op een -s)

Slide 23 - Slide

het bepaald lidwoord
naamval
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1e 
der Mann
die Frau
das Kind
die Kinder
2e
des Mannes
der Frau
des Kindes
der Kinder
3e
dem Mann
der Frau
dem Kind
den Kindern
4e
den Mann
die Frau
das Kind
die Kinder

Slide 24 - Slide

___ Lehrer stellt ___ Schülerin eine Frage.

Slide 25 - Open question

Ich besuche ___ zweite Klasse ___ Gymnasiums

Slide 26 - Open question

Het onbepaald lidwoord

Slide 27 - Mind map

het onbepaald lidwoord
naamval
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1e 
ein Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder
2e
eines Mannes
einer Frau
eines Kindes
keiner Kinder
3e
einem Mann
einer Frau
einem Kind
keinen Kindern
4e
einen Mann
eine Frau
ein Kind
keine Kinder
ein heeft geen meervoud. Daarom zijn in het overzicht de vormen van kein opgenomen

Slide 28 - Slide

Ga aan de slag met de opdrachten bij
H4 (A + B + C)
Ik begrijp het! Ik ga graag zelfstandig aan de slag met de opdrachten.
Ik zit er nog niet helemaal lekker in, dus ik doe graag wat opdrachten samen.
Ik snap er nog niet zoveel van. Ik heb extra hulp (en eventueel extra uitleg) nodig.

Slide 29 - Poll