Rekenen met concentraties (Scheikunde havo), les 3: Terugblik quiz

Titratie: een buret met kraan boven een erlenmeyer (foto: Willwood, CC BY-SA 3.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE

Quiz

Terugblik: Rekenen met concentraties

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met elf vragen over concentratie, dichtheid, gehaltes, verdunnen, mengen en titratie, met een invulzin en twee open berekeningen.

Items in this lesson

Titratie: een buret met kraan boven een erlenmeyer (foto: Willwood, CC BY-SA 3.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE

Quiz

Terugblik: Rekenen met concentraties

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Willwood / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Wat blijft gelijk als je een oplossing verdunt?

A

de hoeveelheid opgeloste stof in mol

B

de concentratie van de oplossing

C

het volume van de oplossing

D

de dichtheid van de oplossing

Bij verdunnen voeg je alleen oplosmiddel toe: n blijft gelijk, V neemt toe, c en ρ nemen af. Verwachte fout: de concentratie kiezen. Syllabus R&A1.2.

Een oplossing bevat 11,7 g NaCl per liter (M = 58,44 g mol⁻¹). Wat is c?

A

4,99 mol L⁻¹

B

6,84·10² mol L⁻¹

C

0,200 mol L⁻¹

D

11,7 mol L⁻¹

n = 11,7 / 58,44 = 0,200 mol in 1 L, dus c = 0,200 mol L⁻¹. Verwachte fouten: de breuk omdraaien (58,44 / 11,7 = 4,99), vermenigvuldigen met M (6,84·10²) en g L⁻¹ voor mol L⁻¹ houden (11,7). Syllabus R&A1.2.

Vul in

Uit c = n / V volgt dat n = c × V, waarbij V in liter staat.

c
V
liter
M
m

n = c × V, met V in liter bij c in mol L⁻¹. Verwachte fout: M of m invullen. Syllabus R&A1.2.

0,50 mg stof per liter water (ρ = 1,0 kg L⁻¹): hoeveel ppm?

A

5,0·10² ppm

B

0,50 ppm

C

0,50 ppb

D

5,0·10⁻⁷ ppm

1 L water heeft een massa van 1,0 kg; 0,50 mg per kg is 0,50·10⁻⁶ kg per kg, dus 0,50 ppm. Verwachte fouten: de macht van tien verkeerd (5,0·10²), ppm met ppb verwarren (0,50 ppb) en het resultaat als fractie noteren (5,0·10⁻⁷). Syllabus R&A1.3.

125 mL vloeistof weegt 98,8 g. Geef ρ in g mL⁻¹.

ρ = m / V = 98,8 / 125 = 0,7904, afgerond op drie significante cijfers 0,790 g mL⁻¹. Verwachte fout: de breuk omdraaien (1,27). Syllabus R&A1.2.

60 mL ethanol en 240 mL water (volumes tellen op). Hoeveel vol% ethanol?

A

25 vol%

B

80 vol%

C

4,0 vol%

D

20 vol%

V(mengsel) = 60 + 240 = 300 mL; 60 / 300 × 100% = 20 vol%. Verwachte fouten: delen door het volume water (25 vol%), het volume van het water nemen (80 vol%) en de verhouding omdraaien (4,0 vol%). Syllabus R&A1.3.

Hoeveel mL water voeg je toe aan 50,0 mL 0,80 M voor 0,20 M?

A

2,0·10² mL

B

13 mL

C

2,5·10² mL

D

1,5·10² mL

V₂ = c₁ × V₁ / c₂ = 0,80 × 50,0 / 0,20 = 2,0·10² mL totaal; toe te voegen 2,0·10² − 50,0 = 1,5·10² mL. Verwachte fouten: het totale volume als toegevoegd volume (2,0·10²), c₂ en c₁ verwisselen (13) en het begin optellen (2,5·10²). Syllabus R&A1.2.

20,0 mL Ca(OH)₂ vraagt 15,0 mL 0,100 M HCl (1 : 2). c(Ca(OH)₂)?

A

0,0750 mol L⁻¹

B

0,0375 mol L⁻¹

C

0,150 mol L⁻¹

D

0,0188 mol L⁻¹

Ca(OH)₂ + 2 HCl → CaCl₂ + 2 H₂O. n(HCl) = 0,100 × 0,0150 = 1,50·10⁻³ mol; n(Ca(OH)₂) = 1,50·10⁻³ / 2 = 7,50·10⁻⁴ mol; c = 7,50·10⁻⁴ / 0,0200 = 0,0375 mol L⁻¹. Verwachte fouten: de molverhouding vergeten (0,0750), omdraaien (0,150) en tweemaal delen (0,0188). Syllabus R&A2.1.

10 massa% NaCl (58,44 g mol⁻¹), ρ = 1,07 g mL⁻¹. c?

1,0 L oplossing heeft m = 1,07·10³ g; m(NaCl) = 0,10 × 1,07·10³ = 107 g; n = 107 / 58,44 = 1,83 mol; c = 1,8 mol L⁻¹ (twee significante cijfers door het percentage). Verwachte fout: de dichtheid vergeten (0,10 × 1000 / 58,44 = 1,7). Syllabus R&A1.2 en R&A1.3.

In c = n / V is V het volume van welke stof of mengsel?

A

het oplosmiddel

B

de opgeloste stof

C

de oplossing

D

het toegevoegde water

V is het volume van de hele oplossing. Verwachte fout: het volume van het water nemen. Syllabus R&A1.2.

100 mL 0,20 M NaCl en 100 mL 0,10 M CaCl₂ gemengd. [Cl⁻]?

A

0,20 mol L⁻¹

B

0,15 mol L⁻¹

C

0,40 mol L⁻¹

D

0,30 mol L⁻¹

n(Cl⁻) = 0,20 × 0,100 + 2 × 0,10 × 0,100 = 0,020 + 0,020 = 0,040 mol in 0,200 L: [Cl⁻] = 0,040 / 0,200 = 0,20 mol L⁻¹ (CaCl₂ → Ca²⁺ + 2 Cl⁻, klopt in atomen en lading). Verwachte fouten: de factor 2 bij CaCl₂ vergeten (0,15), niet door het totale volume delen (0,40) en de concentraties optellen (0,30). Syllabus R&A1.2 en R&A1.1.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REKENEN · CONCENTRATIE

Goed gedaan!

Je kunt nu concentraties, dichtheid, gehaltes in procenten, ppm en ppb, verdunnen, mengen en een titratie uitrekenen. Zoek de vragen die je fout had op in les 1.

This item has no instructions