Taalcompleet B1 - Thema 3

Taalcompleet B1 - Thema 3
1 / 39
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Taalcompleet B1 - Thema 3

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

In de ...... van de auto zit
een deuk.
A
voorkant
B
achterkant
C
zijkant
D
onderkant

Slide 3 - Quiz

De man loopt naar de ....... .

Slide 4 - Open question

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Woorden op -ee Schrijf ook het lidwoord
het idee → _______
de fee → _______
de ree → _______
de knie → _______
de slee → _______

Slide 7 - Open question

Woorden op -heid Schrijf ook het lidwoord
de waarheid → _______
de eenheid → _______
de veiligheid → _______
de snelheid → _______
de duidelijkheid → _______

Slide 8 - Open question

Beroepen op -eur Schrijf ook het lidwoord
de ingenieur → _______
de chauffeur → _______
de controleur → _______
de redacteur → _______
de inspecteur → _______

Slide 9 - Open question

Wat is het meervoud van 'glas'?

Slide 10 - Open question

Slide 11 - Slide


Slide 12 - Open question

Werkwoord
woorden die 
van een 
werkwoord 
komen
stofzuigen


inbreken
spel
klimmer
voorzitten
klusser
dweil
voorzitter
dansen
behandelen
klussen
hanger
vergadering
openen

Slide 13 - Drag question


Slide 14 - Open question

Slide 15 - Slide

Je hebt een vrije dag. Je belt een vriend. Je zegt:
A
We zullen naar de bioscoop gaan.
B
Zullen we naar de bioscoop gaan?

Slide 16 - Quiz

Je maakt een afspraak. Je wilt de afspraak niet vergeten. Je zegt:
A
Ik zal het opschrijven
B
Zal ik het opschrijven?

Slide 17 - Quiz

Je wilt een afspraak maken met een vriendin. Je zegt:
A
We zullen volgende week maandag afspreken.
B
Zullen we volgende week maandag afspreken?

Slide 18 - Quiz

Slide 19 - Slide

Een cake bakken 🍰 Opdracht: Vul de juiste volgwoorden in.

1. ___ weeg je de bloem, suiker en boter af.
2. ___ klop je de eieren los in een kom.
3. ___ meng je alle ingrediënten tot een glad beslag.
4. ___ giet je het beslag in een bakvorm en zet je het in de oven.
5. ___ haal je de cake uit de oven en laat je hem afkoelen.

Slide 20 - Open question

Zet het werkwoord in de verleden tijd

Slide 21 - Slide

........ jij gisteren naar de supermarkt? (gaan)
A
Gaante
B
Gaande
C
Ging

Slide 22 - Quiz

Gisteren ..... ik door de regen naar school. (fietsen)
A
fietste
B
fietsten
C
fietsde
D
fietsden

Slide 23 - Quiz

Jullie ......... vroeger op het platteland. (wonen)
A
woonten
B
woonden
C
wonnen
D
woonte

Slide 24 - Quiz

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd:

Wij ...... elkaar voor altijd samen te blijven. (beloven)

Slide 25 - Open question

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd:
Vroeger ..... de meeste mensen geen televisie. (hebben)

Slide 26 - Open question

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd:
Hij ........... vorig weekend een verjaardagsfeest. (organiseren)

Slide 27 - Open question

Schrijf het werkwoord in de verleden tijd:
Toen ik klein was .......... mijn moeder de vloer .......... met een dweil (schoonmaken)

Slide 28 - Open question

Ik zal mijn collega ......... de nieuwe werktijden.
A
op de hoogte brengen van
B
communiceren

Slide 29 - Quiz

De methode TaalCompleet is ........... voor mensen die goed Nederlands willen leren.
A
zomaar
B
geschikt

Slide 30 - Quiz

Misschien zijn we op 5 juni vrij. ...........vraag ik het even aan de docent.
A
Voor de zekerheid
B
Trouwens

Slide 31 - Quiz

Welke zin is goed?
A
Ik eet een appel, terwijl ik naar de televisie keek.
B
Ik eet een appel, terwijl ik naar de televisie kijk.

Slide 32 - Quiz

Welke zin is goed?
A
Anna drinkt koffie met haar vriendin, voordat ze naar de markt is gegaan.
B
Anna drinkt koffie met haar vriendin, voordat ze naar de markt ging.
C
Anna drinkt koffie met haar vriendin, voordat ze naar de markt gaat.

Slide 33 - Quiz

Welke zin is goed?
A
We gaan in het bos wandelen, nadat we boodschappen hebben gedaan.
B
We gaan in het bos wandelen, nadat we boodschappen gaan doen.
C
We gaan in het bos wandelen, nadat we boodschappen doen.

Slide 34 - Quiz

vaste voorzetsels

Slide 35 - Slide

Ik maak altijd graag een praatje .......... mijn buurvrouw die op nummer 48 woont.
A
over
B
met
C
voor
D
van

Slide 36 - Quiz

De stad Leiden staat bekend ..... haar vele museums.
A
van
B
om
C
door
D
met

Slide 37 - Quiz

Sarah is verslaafd ..... roken. Ze rookt al tien jaar één pakje per dag.
A
van
B
door
C
aan
D
met

Slide 38 - Quiz

Ik begrijp de les.
😒🙁😐🙂😃

Slide 39 - Poll