H.6 Woordsoorten - Betrekkelijk voornaamwoord

H.6 Grammatica woordsoorten
Betrekkelijk voornaamwoord
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 22 slides, with interactive quiz, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

H.6 Grammatica woordsoorten
Betrekkelijk voornaamwoord

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
* Je kunt het betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw) herkennen en benoemen in de zin.
* Je kunt het betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent (betr. m.i.a.) herkennen en benoemen in de zin.


Slide 2 - Slide

Opdracht in tweetallen:
1 De sollicitant die als eerste reageerde, was ook de beste.
2 Het boek dat ik lees, is erg spannend.
3 Fenna wilde graag naar de speeltuin, wat haar moeder een uitstekend idee vond.
> Noteer van deze zinnen het woord dat betrekking heeft op een ander(e)  woord(groep).
> Noteer ook op welk woord/ welke woorden ze betrekking hebben.



Slide 3 - Slide

Uitleg:
1 De sollicitant die als eerste reageerde, was ook de beste.
die = betr. vnw en heeft betrekking op de sollicitant

2 Het boek dat ik lees, is erg spannend.
dat = betr. vnw en heeft betrekking op het boek

3 Fenna wilde graag naar de speeltuin, wat haar moeder een uitstekend idee vond.
wat = betr. vnw en heeft betrekking op de hele zin ervoor

Slide 4 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord
- Verwijst naar een woord (of woorden) dat eerder genoemd is in de zin.
- Dat noem je het antecedent.
- Het antecedent staat meestal vlak voor het betr. vnw.

Slide 5 - Slide

Betrekkelijke voornaamwoorden:
Die (tenzij je 'die' kunt vervangen door 'deze' - > aanw. vnw)
Dat (tenzij je 'dat' kunt vervangen door 'dit' - > aanw. vnw)
Wie (let op: wie, wat, welke kunnen ook vr. vnw zijn)
Wat  (let op: wie, wat, welke kunnen ook vr. vnw zijn)
(welke, hetgeen, waarmee komen ook af en toe voor als betr. vnw)

Slide 6 - Slide

Het betr.vnw DIE/ DAT gebruiken
Met die verwijs je naar de-woorden.
Met dat verwijs je naar het-woorden.

LET OP! Als je die/dat kunt vervangen door deze/dit, is het een aanwijzend voornaamwoord.

Slide 7 - Slide

Het betr.vnw WAT gebruiken
'Wat' gebruik je:
- als je naar de woorden iets, niets, alles of het enige verwijst;
Alles wat je wilt weten, kun je opzoeken op internet.
- na een overtreffende trap;
Het beste wat ik ooit gedaan heb, was naar school gaan.
- als het terugslaat op een hele zin;
Ik mocht zelf weten hoe laat ik thuiskwam, wat ik waardeerde.

Slide 8 - Slide

Het betr.vnw WIE gebruiken
Wie gebruik je als je naar een persoon verwijst. 

vb. 
De rechters wie de vraag was voorgelegd, spraken zich duidelijk uit.
De jongen met wie ik altijd naar huis fiets, is vandaag ziek.

Slide 9 - Slide

Hoe herken je het betrekkelijk voornaamwoord?

Slide 10 - Slide

betr.vnw. DIE
De fiets die ik heb gekocht fietst heerlijk!

Die - heeft betrekking op 'de fiets'
Die = betr.vnw.
De fiets = antecedent.

Slide 11 - Slide

Betr.vnw DAT
Het kind dat bij de tandarts was, was blij.

Dat - heeft betrekking op het kind.
Dat = betr.vnw.
Het kind = antecedent.



Slide 12 - Slide

Betr. vnw. WIE
De jongen van wie zijn laptop is gevallen, is erg geschrokken.

Wie - heeft betrekking op de jongen
Wie = betr.vnw.
De jongen = antecedent

Slide 13 - Slide

Betr. vnw. WAT
Een dagje naar Disney gaan, is het leukste wat ik ooit gedaan heb.

Wat - heeft betrekking op een dagje naar Disney gaan.

wat = betr.vnw.
een dagje naar Disney gaan  antecedent

Slide 14 - Slide

Betr.vnw met ingesloten antecedent
betr. vnw m.i.a. = betr. vnw met ingesloten antecedent 
= als er geen antecedent is
Betreft alleen de woorden wie en wat
Tip:
Wie moet je kunnen vervangen door degene die
Wat moet je kunnen vervangen door datgene wat
Tot slot...

Slide 15 - Slide

Betr.vnw m.i.a. WIE
Wie de bal daar neer heeft gelegd blijft een raadsel.

Wie - kun je vervangen door 'degene die' = betr. vnw m.i.a.

Er is dus geen antecedent.

Slide 16 - Slide

Betr.vnw m.i.a. WAT
Wat daar is gebeurd, kan ik niet navertellen.

Wat - kun je vervangen door 'datgene wat' = betr. vnw m.i.a.

Er is dus geen antecedent.

Slide 17 - Slide

Bekijk de volgende twee filmpjes zelfstandig als je behoefte hebt aan meer uitleg

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Video

Slide 20 - Video

Ik kan het betrekkelijk voornaamwoord herkennen en benoemen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 21 - Poll

Aan de slag!
* Maak online de opdrachten van H.1 Grammatica - Betrekkelijk voornaamwoord. Werk volgens je eigen leerroute.



Slide 22 - Slide