Les 28 9 mei 2026 (VO2)

Les 28 9 mei 2026
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary Education

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 28 9 mei 2026

Slide 1 - Slide

L28 Wat doen we vandaag? 

Welkom! 

1. Diatoets
2. (VO1)Cursus 6 formuleren §5 Lastige verwijswoorden en herhaling §4. 
3. (VO2) Cursus 5 grammatica §14 betrekkelijk voornaamwoord 
4. Lesafsluiting 

Slide 2 - Slide

Diataal toets: diaspel
- Ga naar www.diatoetsen.nl/login. Vul je gebruikersnaam in en je wachtwoord in - zie blad van diataal.
- Er staan 2 toetsen klaar: Diaspel (spelling/taal) & Diatekst (Begrijpend lezen)
- Start met "Diaspel" - gebruik een koptelefoon. "Diatekst" doen we volgende week online. 

- Klaar met "diaspel"? Klik op 'afsluiten' of 'afsluiten test' en: 
- VO1: ga naar blz 190 en lees tekst 1 en 2, maak opdracht 1, 2 en 3. 
- VO2: ga naar blz. 199 en lees tekst 1, 2 3 en 4. Maak opdracht 1 en 2. 

Slide 3 - Slide

Verwijswoorden
Hij geeft het daar aan hen
Waar verwijst 'hij' naar? En 'daar'? en 'hen'? 

Er zijn nog meer verwijswoorden: 
Het meisje, dat gisteren de wedstrijd liep, heeft een record gebroken. 
De jongen, die er gisteren niet was, heeft vandaag veel werk gedaan. Welke jongen? Die jongen!  Deze? Nee die.  

Slide 4 - Slide

Welk verwijswoord?
Jullie weten nog dat je voor goed gebruik van verwijswoorden je soms moet kijken naar het lidwoord (de, het) en soms naar of het woord naar waar je verwijst mannelijk of vrouwelijk of onzijdig is. 

Slide 5 - Slide

DEZE, DIE, DIT, DAT
Dit zijn verwijswoorden.
Ezelsbruggetje:
  • dezE en diE gebruik je bij dE-woorden.

  • diT en daT gebruik je bij heT-woorden.



Slide 6 - Slide

soorten verwijswoorden
Er zijn verschillende soorten verwijswoorden: 
 
- persoonlijke voornaamwoorden: ik, jij, u, hij, zij, het, wij, jullie, zij me, mij, jou, hem, haar, ons, hen, hun (Bijvoorbeeld: "Sam zag haar gisteren nog"). 
- aanwijzende voornaamwoorden: die, dat, deze, dit.  Als 'die' of 'dat' als aanwijzend voornaamwoord gebruikt worden, kun je ze vervangen door 'deze' en 'dit': dan klopt de zin nog (ook al is de betekenis veranderd). Verwijst vaak naar later woord. 
- betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat (wie, wat). Verwijst vaak naar eerder woord. 
- bijwoorden van tijd en plaats: toen, hier, daar. 

Dit is niet alles. Er zijn nog meer soorten verwijswoorden.  

Slide 7 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord
Antecedent = een woord (of groepje woorden) die eerder genoemd is/zijn en waar een ander woord naar verwijst.

Voorbeeld: 
Met de jongen, die daar op dat bankje zit, heeft mijn zus verkering gehad.
Jongen is een antecedent en die verwijst daarnaar.

Slide 8 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord
Het betrekkelijk voornaamwoord wijst terug naar het antecedent.

Voorbeeld:
Met de jongen, die daar op dat bankje zit, heeft mijn zus verkering gehad.
die = betrekkelijk voornaamwoord.

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide


De jongen, die geselecteerd is voor Twente , staat morgen in de basis.
Wat is in deze zin het betrekkelijk voornaamwoord?
A
de
B
die
C
voor
D
in

Slide 11 - Quiz

Betrekkelijk voornaamwoord: Dat of Wat?



- Dat gebruik je om te verwijzen naar het-woorden en gedeeltes van zinnen. 

Slide 12 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord: Dat of Wat?


'Wat' gebruik je om te verwijzen naar:
  - Voornaamwoorden: dat, datgene
  - Onbepaalde voornaamwoorden (iets vaags): alles, iets, niets, het enige
  - een overtreffende trap na ‘het’, die niet gevolgd wordt door een                                    zelfstandig naamwoord:           
            "Het noorderlicht is het mooiste wat ik ooit heb gezien". 
            Maar let op: Het noorderlicht is het mooiste licht dat... 
            Maar let op: Jij bent de mooiste die ik ken (geen 'het' woord).
  - een hele zin.  

Slide 13 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord ('wat') 
Voorbeelden wat:
- dat, datgene: Dat(gene) wat ik wil, is niet beschikbaar. 
- alles, iets, niets, het enige: Alles wat jij doet, is leuk. 
- overtreffende trap: Patat is het lekkerste wat ik ooit gegeten heb. 
- hele zin: Zij bleef maar tegen mij praten, wat ik heel gezellig vond. ('wat' refereert naar de hele zin: "zij bleef maar tegen mij praten)

Slide 14 - Slide

Vul aan:
De activiteitenweek is het leukste ___ ik heb meegemaakt.
A
dat
B
wat

Slide 15 - Quiz

Vul aan:
Het meisje ___ daar loopt, heeft een mooie jas aan.
A
dat
B
wat
C
die

Slide 16 - Quiz

Vul aan:
Harry heeft nooit zin om te wandelen, ___ best verrassend is voor een hond.
A
dat
B
wat

Slide 17 - Quiz

Lastige verwijswoorden
Waar + voorzetsel (bijvoorbeeld 'waarmee') of voorzetsel + wie (bijvoorbeeld 'met wie')?
- Naar dieren en dingen verwijs je met: waar + vz
   - De hond waarmee ik wandel, heet Harry
   - De fiets waarop ik fiets, is geel.
- Naar mensen verwijs je met: vz + wie
   - Sam, met wie ik graag afspreek, zit nog op school. 

Slide 18 - Slide

Vul aan:
Het liedje ____ ik je vertelde, draait nu op de radio.
A
over wie
B
waarover

Slide 19 - Quiz

Vul aan:
Het konijntje, ____ jij laatst een hok had getimmerd, is heel blij.
A
voor wie
B
waarvoor

Slide 20 - Quiz

Vul aan:
Ik ga straks op bezoek bij mijn oma, ___ ik graag tijd doorbreng.
A
met wie
B
waarmee

Slide 21 - Quiz

Dus: 
Waarmee, waarvoor, waarop, waartegen, waarnaast
Gebruik je bij dieren of dingen

Met wie, voor wie, op wie, tegen wie, naast wie
Gebruik je bij mensen

Slide 22 - Slide

Is dat het meisje ... jij gisteren je mobiel uitleende?
A
aan wie
B
waaraan

Slide 23 - Quiz

Dat is mijn oom ... mijn vader graag klaverjast.
A
waarmee
B
met wie

Slide 24 - Quiz

Lesafsluiting (VO2)
Volgende week is er weer een online les.  We maken dan o.a. de tweede DIAtoets.   
 Het huiswerk voor deze week is: 
▪ Lees in je leesboek 
▪ Cursus 5 grammatica §14 betrekkelijk voornaamwoord, opdracht 1 en 2
▪ Thema D (on)gezond, §6 kritisch lezen: lees tekst 1, 2 3 en 4 en maak opdracht 1 en 2. 

Tot volgende week! 
  

 

 

Tot volgende week op st Conleth's


  
  

Slide 25 - Slide