Symfonie en sonatevorm (Muziek havo), les 3: Terugblik quiz

VORM · SYMFONIE EN SONATE

QUIZ

Terugblik: Symfonie en sonatevorm

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMuziekMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met quiz van 10 vragen over symfonie, hoofdvorm, toonsoorten en contrastwerking, waarvan 2 luistervragen met fragmenten van Beethoven en Haydn.

Items in this lesson

VORM · SYMFONIE EN SONATE

QUIZ

Terugblik: Symfonie en sonatevorm

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: SintaBerzins / Wikimedia Commons, CC0

Video: Beethoven: Symfonie nr. 5 in c-mineur, op. 67, I. Allegro con brio (kanaal: David Parry - Topic). Leerlingen horen aan het begin het motief drie korte noten en een lange, door alle strijkers en de klarinetten samen gespeeld. Goede antwoord: unisono, alle instrumenten spelen dezelfde noten. Verwachte fout: meerstemmig kiezen omdat het volle orkest zo krachtig klinkt.

Hoe speelt het orkest het openingsmotief van dit fragment?

A

Unisono: alle instrumenten spelen dezelfde noten

B

Meerstemmig: elk instrument speelt andere noten

C

Solo: één instrument speelt het motief alleen

D

Alleen de blazers spelen het motief

Het motief klinkt unisono, gespeeld door strijkers en klarinetten tegelijk. Verwachte fout: meerstemmig kiezen omdat het volle orkest zo krachtig klinkt.

Welk deel van de klassieke symfonie staat meestal in hoofdvorm?

A

Het tweede deel

B

Het derde deel

C

Het eerste deel

D

Het vierde deel

Het eerste, snelle deel is in hoofdvorm geschreven. Het derde deel is het menuet.

Welk onderdeel sluit het deel af, nadat de reprise is afgelopen?

A

De expositie

B

De doorwerking

C

De coda

D

De overgangszin

De coda is het naspel van het deel. Wie doorwerking kiest, verwart het slot met het middendeel van de hoofdvorm.

Eerst spelen alleen de strijkers, daarna alleen de blazers. Welk contrast?

A

Blazers tegenover strijkers

B

Tutti tegenover solo

C

Majeur tegenover mineur

D

Snel tegenover langzaam

Het contrast zit in de instrumentgroepen: blazers-strijkers. Tutti-solo gaat over het hele orkest tegenover één instrument.

Een hobo speelt alleen, daarna valt het hele orkest in. Welk contrast?

A

Unisono tegenover meerstemmigheid

B

Homofoon tegenover polyfoon

C

Blazers tegenover strijkers

D

Solo tegenover tutti

Eén instrument tegenover het hele orkest is solo-tutti. Wie blazers-strijkers kiest, kijkt naar de hobo als blazer en vergeet dat alle groepen meedoen.

Een thema in mineur wordt gevolgd door een thema in majeur. Welk contrast?

A

Hard tegenover zacht

B

Majeur tegenover mineur

C

Solo tegenover tutti

D

Homofoon tegenover polyfoon

Het verschil zit in de toonsoort: majeur-mineur. Verwachte fout: hard-zacht kiezen omdat een mineurthema vaak wat somberder klinkt.

Noem één voorbeeld van contrastwerking.

Elk voorbeeld uit de lijst is goed: blazers-strijkers, hard-zacht, homofoon-polyfoon, majeur-mineur, snel-langzaam, tutti-solo of unisono-meerstemmigheid. Let op leerlingen die alleen "een verschil" schrijven zonder voorbeeld.

Video: Haydn: Symfonie nr. 104 in D-majeur (Londen), III. Menuetto (kanaal: Austro-Hungarian Haydn Orchestra - Topic). Leerlingen horen een levendig, krachtig stuk in driekwartsmaat met een duidelijke nadruk op de eerste tel: een menuet. Goede antwoord: het menuet als derde deel. Verwachte fout: het slotdeel kiezen omdat het tempo vlot is; let op de driekwartsmaat en het danskarakter.

Welk deel van de klassieke symfonie is dit fragment waarschijnlijk?

A

Het menuet als derde deel

B

Het eerste deel in hoofdvorm

C

Het langzame tweede deel

D

Het snelle slotdeel

De driekwartsmaat met het accent op de eerste tel en het danskarakter wijzen op het menuet. Verwachte fout: het slotdeel kiezen omdat het tempo vlot is.

Waarin verschilt thema II meestal van thema I in de expositie?

A

Het wordt altijd door solisten gespeeld

B

Het is een herhaling van de overgangszin

C

Het staat in een andere toonsoort en heeft een ander karakter

D

Het staat altijd in mineur

Thema II staat in de expositie in een andere toonsoort en contrasteert vaak met thema I. De andere antwoorden noemen kenmerken die niet vaststaan.

Wat is de hoofdvorm?

A

Het langzame tweede deel van een symfonie

B

De opbouw van het eerste deel in vier onderdelen

C

Een statige dans in driekwartsmaat

D

Een thema dat steeds terugkeert tussen andere delen

De hoofdvorm is de opbouw van het eerste deel. Het terugkerende thema tussen andere delen hoort bij het rondo, een ander onderwerp.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

♪ VORM · SYMFONIE EN SONATE

GOED GEDAAN!

Je kent nu de klassieke vierdeling, de onderdelen van de hoofdvorm, de toonsoorten van thema I en thema II en je kunt contrasten benoemen. Luister de volgende keer naar een symfonie en probeer te horen waar de reprise begint.

This item has no instructions