Les 4 juni

Vandaag
Opwarmer
Werkwoorden oefenen
Fictie
Zinsleer
Lezen


1 / 36
next
Slide 1: Slide
NederlandsEnseignement Secondaire

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 75 min

Items in this lesson

Vandaag
Opwarmer
Werkwoorden oefenen
Fictie
Zinsleer
Lezen


Slide 1 - Slide

Doelen
Ik kan werkwoorden vervoegen alle tijden door elkaar
Ik kan mijn mening geven over een fragment uit een boek en daar argumenten voor bedenken
Ik kan het nwg/wwg/lv en mv vinden in een zin
Ik weet wat 'studerend lezen' is. 



Slide 2 - Slide

Opwarmer
https://www.vrt.be/vrtmax/ketnet/spelletjes/d/de-actuaquiz-van-karrewiet/

https://www.vrt.be/vrtmax/a-z/karrewiet-nieuwsvideos/belgie/karrewiet-nieuwsvideos-zitten-jullie-mama-s-en-papa-s-veel-op-hun-telefoon-als-je-erbij/


Slide 3 - Slide

Werkwoorden oefenen
werkwoordvandeweek.nl


Slide 4 - Slide

Fictie

Piratenzoon

Slide 5 - Slide

Zinnen ontleden

Slide 6 - Slide

WWG of NWG?
De bromfiets van de jongen was gloednieuw.

A
WWG
B
NWG

Slide 7 - Quiz

De gekleurde afbeelding bevindt zich op de muur.
'Zich' is een ...
A
persoonlijk vn
B
onbepaald vn
C
wederkerig vn
D
wederkerend vn

Slide 8 - Quiz

Een WWG bestaat uit een PV +naamwoordelijk deel + eventuele andere werkwoorden.
A
JUIST
B
FOUT

Slide 9 - Quiz

"De NMBS vervangt de metalen bankjes in het station van Brussel-Noord."
Het WWG in bovenstaande zin is...
A
persoonsvorm + voltooid deelwoord + hele werkwoord
B
persoonsvorm + hele werkwoord
C
persoonsvorm
D
De bovenstaande zin heeft een NWG.

Slide 10 - Quiz


Bevat deze zin een NWG of een WWG?

Na die nederlaag leken de voetballers ontroostbaar.
A
Naamwoordelijk gezegde
B
Werkwoordelijk gezegde

Slide 11 - Quiz

Maak een zin met
een onderwerp en
een naamwoordelijk gezegde

Slide 12 - Open question

Maak een zin met...
een onderwerp
een werkwoordelijk gezegde
een lv

Slide 13 - Open question

Hoe vind je het lijdend voorwerp? 
wie/wat + wwg + onderwerp = lijdend voorwerp. 
Wie of wat
+
wwg
+
lijdend voorwerp
onderwerp
=

Slide 14 - Slide

Wat is het lijdend voorwerp? Stel jezelf de juiste vraag!
De kinderen geven oma bloemen.

Slide 15 - Mind map

Hoe vind je het lijdend voorwerp? 
Wie of wat
+
wwg
+
lijdend voorwerp
onderwerp
=
Wie of wat           geven                de kinderen =
                                   
                              bloemen

Slide 16 - Slide

Mijn vader
leest
de krant.
Onderwerp
Persoonsvorm
Lijdend Voorwerp

Slide 17 - Drag question

Wat is het lijdend voorwerp?
Het lijdend voorwerp
De voetbaltrainer
zet
het wedstrijdschema
op het bord.

Slide 18 - Drag question

Wat is het lijdend voorwerp?
gekeken.
Het lijdend voorwerp
We 
hebben
vanavond
een film

Slide 19 - Drag question

Wat is het lijdend voorwerp?
Het lijdend voorwerp
Mijn laptop
heb
ik
gisteren
aan Joey
uitgeleend.

Slide 20 - Drag question

gegeven?
dat
Waarom
heb
je
hem
Onderwerp
Gezegde
Lijdend voorwerp

Slide 21 - Drag question

Wat is het lijdend voorwerp?
altijd 
Het lijdend voorwerp

Waar
zet
jij 
jouw racefiets
neer?

Slide 22 - Drag question

Sneakerverzamelaar Ryan Chang kocht het paar

Welk zinsdeel is het LV?
A
Sneakerverzamelaar Ryan Chang
B
kocht
C
het paar
D
er is er geen

Slide 23 - Quiz

Hoe vind ik het LV in een zin ook weer?
A
Wie/wat + O + PV + GEZ
B
Aan wie + PV + O + GEZ
C
Wie/wat + PV + O + GEZ
D
Voor wie + PV + O + GEZ

Slide 24 - Quiz

Het meewerkend voorwerp 
Geeft aan voor wie iets bestemd is 
1. Noteer het onderwerp, werkwoordelijk gezegde en lijdend voorwerp. 
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? 
3. Controleer of je aan (voor) kunt weglaten of toevoegen. 

Slide 25 - Slide

Hoe vind je het meewerkend voorwerp? 
Aan/Voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp = mv
Aan wie/
Voor wie
+
gezegde
+
meewerkend voorwerp
onderwerp
=
+
lijdend voorwerp

Slide 26 - Slide

Wat is het meewerkend voorwerp? Stel jezelf de juiste vraag!
De kinderen geven oma bloemen.

Slide 27 - Mind map

Meewerkend voorwerp
Vaak werkwoorden die iets 
* vertellen, uitleggen, zeggen, ...
* geven, sturen, overhandigen, ....



Tip!
Bij het meewerkend voorwerp moet je de woorden 'aan' of 'voor' toe kunnen voegen of weg kunnen laten.

Slide 28 - Slide

Wat is het mv?
Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.
A
voor de jarige
B
de jarige
C
alle aanwezigen
D
een vrolijk welkomstlied

Slide 29 - Quiz

Wat is het mv?
'De jongen schrijft een liefdesbrief aan zijn vriendin.'
A
De jongen
B
een liefdesbrief
C
aan zijn vriendin
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 30 - Quiz

Wat is het mv?
'Mijn oma appt mij het recept.'
A
Mijn oma
B
mij
C
het recept
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 31 - Quiz

Het meewerkend voorwerp geeft aan voor wie iets bestemd is.
A
juist
B
onjuist

Slide 32 - Quiz

onderwerp
PV
ander woord
delen van het WWG
lijdend voorwerp

meewerkend voorwerp
andere zinsdelen 
(waarom? wanneer? waar? ...)
Om hoe laat
sta
jij
's morgens
op?

Slide 33 - Drag question

Sleep de juiste benamingen (witte vakjes) op
de corresponderende zinsdelen (gele vakjes).
Die overtreding
kostte
hem
de gele kaart.
wwg
lijdend voorwerp
onderwerp
meewerkend voorwerp

Slide 34 - Drag question

Sleep de juiste benamingen (witte vakjes) op
de corresponderende zinsdelen (gele vakjes).
Zij
leent
haar zus
een som geld.
meewerkend voorwerp
onderwerp
lijdend voorwerp
wwg

Slide 35 - Drag question

Les 4 juni

Slide 36 - Slide