NT2 TC A2 4.4 hij het ze 23-6

NT2 TC A2 4.4 hij het ze
Vul bij de vragen het goede woord in. Kies uit:
Hij   --> de -woorden: de winkel de auto
Het  --> het-woorden: het boek, het huis
Ze   --> meervoud: de schoenen, de bananen
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsBeroepsopleiding

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 17 min
Report this lesson

Items in this lesson

NT2 TC A2 4.4 hij het ze
Vul bij de vragen het goede woord in. Kies uit:
Hij   --> de -woorden: de winkel de auto
Het  --> het-woorden: het boek, het huis
Ze   --> meervoud: de schoenen, de bananen

Slide 1 - Slide

Johan heeft een nieuwe broek.
................. was heel duur.

Slide 2 - Open question

Onze auto staat naast de weg.
.......... is kapot.

Slide 3 - Open question

Ruud pakt geld.
................... zit in zijn zak.

Slide 4 - Open question

Ik zoek de pillen.
................... zitten in een doosje.

Slide 5 - Open question

De nieuwe jas is rood.
................... kost 85 euro.

Slide 6 - Open question

Ozan zoekt een boek voor zijn school. ........................ heet Taalcompleet A2.

Slide 7 - Open question

De cursus duurt 4 jaar.
................ start in september.

Slide 8 - Open question

Wij zijn blij met de nieuwe computers. ............... zijn snel.

Slide 9 - Open question

Waar zijn de kinderen?
.................... zijn buiten.

Slide 10 - Open question

Waar is je telefoon?
..................... ligt op tafel.

Slide 11 - Open question

Wij eten koekjes.
........................ zijn lekker.

Slide 12 - Open question

Van wie zijn deze spullen?
.................. zijn van mij.

Slide 13 - Open question

Het vest kost normaal 50 euro.
............... kost nu 25 euro.

Slide 14 - Open question

Ik zie niks door het raam.
............... is erg vies.

Slide 15 - Open question

We maken: 
Opdracht 36 en 37 

Slide 16 - Slide

Samen spreken:
Opdracht 38:  Beantwoord met hij, het of ze 

Denk aan:
Hij --> de -woorden: de winkel de auto
Het --> het-woorden: het boek, het huis
Ze --> meervoud: de schoenen, de bananen

Slide 17 - Slide

Samen spreken:
Opdracht 39:  Beschrijf de spullen met hij, het of ze. 

Denk aan:
Hij --> de -woorden: de winkel de auto
Het --> het-woorden: het boek, het huis
Ze --> meervoud: de schoenen, de bananen

Slide 18 - Slide

4.5 Tips bij luisteren!

Maak 41 

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Link

Slide 21 - Link

Slide 22 - Link

Een pitch voorbereiden
Maak een korte presentatie (pitch) van ongeveer 2 minuten. 
In deze pitch vertel je iets over jezelf. Je bereidt de pitch thuis of in de les voor. Daarna oefen je hardop en presenteer je aan je docent of aan de groep.

Slide 23 - Slide

Goed gewerkt! 

Slide 24 - Slide