15. Grieks: aanwijzende voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden
In deze les leer je:
- 3 verschillende aanwijzende voornaamwoorden
- de rijtjes van deze aanw. vnw.
- het verschil tussen deze aanw. vnw.
1 / 27
next
Slide 1: Slide
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Aanwijzende voornaamwoorden
In deze les leer je:
- 3 verschillende aanwijzende voornaamwoorden
- de rijtjes van deze aanw. vnw.
- het verschil tussen deze aanw. vnw.

Slide 1 - Slide

Aanwijzende voornaamwoorden
In het Nederlands hebben we de volgende aanwijzende voornaamwoorden: dat en die (ev en mv, geven verte aan), dit en deze (ev en mv, geven nabijheid aan).

In het Grieks hebben we niet 2, maar 3 verschillende aanwijzende voornaamwoorden. Elk bestaat weer in het mannelijk, vrouwelijk en onzijdig en in elke naamval. Het aanwijzend voornaamwoord congrueert immers met het bijbehorende zelfstandige naamwoord.

Slide 2 - Slide

Aanwijzende voornaamwoorden
1. ἡδε, ὁδε, τοδε: wordt gevormd door het lidwoord + -δε. 
Deze, dit (hier bij mij) OF de/het volgende

2. οὑτος/αὑτη/τουτο (niet te verwarren met αὐτος!): voor de vorming, zie volgende dia.
die, dat (daar bij jou) OF die, dat (de laatstgenoemde)

3. ἐκεινος/ἐκεινη/ἐκεινο: wordt vervoegd zoals de bekende rijtjes van ὁ δουλος, ἡ μαχη (ἡ δουλη) en το τεκνον (let hierbij wel op nom/acc ev).
die, dat (daar ver weg) OF die, dat (de eerstgenoemde)

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

οὑτος/αὑτη/τουτο
Let goed op:
1. de α bij de vrouwelijke vormen (behalve gen mv) en bij onzijdig nom/acc mv
2. nom ev/mv mannelijk en vrouwelijk beginnen niet met een τ-, maar met een spiritus asper
3. niet te verwarren met het rijtje van αὐτος (let op de spiritus lenis!)

Slide 7 - Slide

Plaatsing
bijvoeglijk:
ὅδε ὁ ἀνήρ / ὁ ἀνὴρ ὅδε deze man
αὕτη ἡ στρατιά / ἡ στρατιὰ αὕτη dat leger
ἐκεῖνο τὸ ἔργον / τὸ ἔργον ἐκεῖνο dat werk (daar)

zelfstandig:
Τὸν φίλον ζητῶ· οὗτος δ᾽ οὐ πάρεστιν. Ik zoek mijn vriend; maar die is niet aanwezig.

Slide 8 - Slide

Wat is de passende vorm van het aanwijzend voornaamwoord?
του ὑψηλου οὐρανου
A
τουτο
B
τουτον
C
τουτου
D
ταυτης

Slide 9 - Quiz

Wat is de passende vorm van het aanwijzend voornaamwoord?
το ἰσχυρον σωμα
A
ἐκεινο
B
ἐκεινα
C
ἐκεινος
D
ἐκεινον

Slide 10 - Quiz

Wat is de passende vorm van het aanwijzend voornaamwoord?
τῳ σοφῳ δολῳ
A
τονδε
B
τῳδε
C
τοδε
D
τουδε

Slide 11 - Quiz

Wat is de passende vorm van het aanwijzend voornaamwoord?
ταις καθαραις ἐσθησιν
A
ταυτα
B
ταυταις
C
ταυτας
D
ταυτῃ

Slide 12 - Quiz

Wat is de passende vorm van het aanwijzend voornaamwoord?
τον μεγαν ποδα
A
τουτον
B
ταυτην
C
τουτο
D
οὑτος

Slide 13 - Quiz

Wat is de passende vorm van het aanwijzend voornaamwoord?
ἡ αἰσχρα δικη
A
ταυτα
B
τουτο
C
αὑται
D
αὑτη

Slide 14 - Quiz

Wat is de passende vorm van het aanwijzend voornaamwoord?
της μεγαλης σοφιας
A
ταισδε
B
τασδε
C
τησδε
D
τῃδε

Slide 15 - Quiz

Wat is de passende vorm van het aanwijzend voornaamwoord?
τα φιλα τεκνα
A
ἐκεινη
B
ἐκεινα
C
ἐκεινο
D
ἐκεινην

Slide 16 - Quiz

κορην
πατρος
δορυ
ἐργα
γυναιξιν
πραγματι
ποδας
τουτῳ
τοδε
ἐκεινου
τουτους
ἐκεινα
ταυτην
ταισδε

Slide 17 - Drag question

Heb je nog vragen of opmerkingen? Of zou je nog ergens mee willen oefenen?

Slide 18 - Open question

τῃ ψυχῃ ταυτῃ
A
de ziel zelf
B
die ziel
C
deze ziel (hier)
D
dezelfde ziel

Slide 19 - Quiz

αὑται αἱ νησοι
A
de eilanden zelf
B
dezelfde eilanden
C
die eilanden
D
deze eilanden hier

Slide 20 - Quiz

ἡ αὐτη δοξα
A
dezelfde roem
B
de roem zelf
C
die roem
D
deze roem

Slide 21 - Quiz

ἡ παρθενος αὐτη
A
dat meisje
B
hetzelfde meisje
C
dit meisje hier
D
het meisje zelf

Slide 22 - Quiz

αὑτη ταυτα ἐλεγεν
A
zij zei dat
B
zij zei het volgende
C
dezelfde zei het volgende
D
zij zelf zei dat

Slide 23 - Quiz

ταυτην την παρθενον
A
dat meisje
B
hetzelfde meisje
C
dit meisje
D
het meisje zelf

Slide 24 - Quiz

ὁδε τουτο ἐλεγεν
A
hij zei deze dingen
B
hij heeft dit gezegd
C
hij wou dit zeggen
D
hij (hier) zei dit

Slide 25 - Quiz

τουτῳ ταδε λεγει
A
dit zegt deze
B
deze zei dat
C
tegen hem zegt hij het volgende
D
tegen hem zei hij dat

Slide 26 - Quiz

Nu iets moeilijker

Slide 27 - Slide