6.3 grammatica

6.3 grammatica
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

6.3 grammatica

Slide 1 - Slide

Woordsoorten
Lidwoord
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Werkwoord > zww, kww, hww
Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Wederkerend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Voorzetsel
Voegwoord
Telwoord

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Waar of niet waar?
Lidwoorden horen bij een zelfstandig naamwoord
A
Waar
B
Niet waar

Slide 4 - Quiz

Geen een voorbeeld
LW + ZN

Slide 5 - Open question

Wat is het persoonlijk en wat is het bezittelijk voornaamwoord?

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Aanwijzend voornaamwoord
Een aanwijzend voornaamwoord (av) wijst iets of iemand aan. De belangrijkste aanwijzende voornaamwoorden zijn: deze, die, dit, dat, zo’n, zulke.
Wederkerend voornaamwoord
Een wederkerend werkwoord heeft een wederkerend voornaamwoord (wkv) bij zich. Het past zich steeds aan het onderwerp aan.
ik heb dit bij me --> wij hebben deze bij ons
jij hebt dat bij je, u heeft dat bij u/zich -> jullie hebben die bij je
hij/zij/het heeft het bij zich ---> zij hebben alles bij zich
Vragend voornaamwoord
Een vragend voornaamwoord (vrv) vraagt naar iets of iemand. Er zijn vier vragende voornaamwoorden: wie, wat, welk(e), wat voor (een).

Slide 8 - Slide

Maken opdracht 5

Slide 9 - Slide

Waar of niet waar?

Een vragend voornaamwoord vraagt naar iets of iemand.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quiz

Waar of niet waar?

Een wederkerend voornaamwoord past zich aan aan het gezegde.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 11 - Quiz

Het voorzetsel
Een voorzetsel staat vaak voor een zelfstandig naamwoord. Voorzetsels zijn onder andere:


Slide 12 - Slide

Maken opdracht 6

Slide 13 - Slide


Je kan woorden benoemen: werkwoord, zelfstandig naamwoord, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, voorzetsel 


Leerdoelen

Slide 14 - Slide

LW - ZN - BN

Slide 15 - Slide

Het voorzetsel
Een voorzetsel staat vaak voor een zelfstandig naamwoord. Voorzetsels zijn onder andere:


Slide 16 - Slide

Werkwoord
Hoe herken je een werkwoord?

- een werkwoord zegt wat iets of iemand doet
- een werkwoord zegt wat iets of iemand is overkomen
- een werkwoord wordt vervoegd (verandert van vorm)

Slide 17 - Slide

Soorten werkwoorden 
De 3 werkwoorden die je moet kennen 
zelfstandig werkwoord 
hulpwerkwoord 
koppelwerkwoord

Slide 18 - Slide

Een zelfstandig werkwoord kan alleen in een zin voorkomen.
Een koppelwerkwoord kan alleen in een zin voorkomen.
In een zin kunnen een hulpwerkwoord en een koppelwerkwoord voorkomen.
In een zin kunnen een hulpwerkwoord en een zelfstandig werkwoord voorkomen.
Een koppelwerkwoord en een zelfstandig werkwoord kunnen niet tegelijk in een zin voorkomen. 

Slide 19 - Slide

Gezegde: hoe zit het?
Werkwoordelijk gezegde = wie/wat doet
Naamwoordelijk gezegde = wie/wat is, wordt, blijft

In het naamwoordelijk gezegde staat een koppelwerkwoord. 
Het koppelwerkwoord 'koppelt' een eigenschap aan het onderwerp. 

Slide 20 - Slide

Koppelwerkwoord (kww)

Wanneer het belangrijkste werkwoord een koppelwerkwoord is, dan heb je te maken met een naamwoordelijk gezegde. 

Er is dan geen werkwoordelijk gezegde meer.




Slide 21 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
Zij | is | blij 


    o            ng          ng
         koppelwerkwoord        naamwoordelijk deel 
SAMEN: naamwoordelijk gezegde

Slide 22 - Slide

Onthoud!
Naamwoordelijk gezegde            koppelwerkwoord 

   hulpwerkwoord      

Werkwoordelijk gezegde           zelfstandig werkwoord 

Slide 23 - Slide

Waar of niet waar?
Een koppelwerkwoord is onderdeel van het naamwoordelijk gezegde.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 24 - Quiz

In wat voor een soort zin vind je een voegwoord?
A
Enkelvoudige zin
B
Samengestelde zin
C
Zowel enkelvoudig als samengesteld

Slide 25 - Quiz

Maken opdracht 7

Slide 26 - Slide