Werkwoorden nu gebruiken

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

1 / 40
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min
Report this lesson

Items in this lesson

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

This item has no instructions

Lesdoel

Ik kan de werkwoorden schrijven, wonen, spreken, komen en gaan in de tegenwoordige tijd goed gebruiken.

This item has no instructions

Welk werkwoord ken je al: schrijven, wonen, spreken, komen of gaan?

Gebruik dit als activering. Laat leerlingen één werkwoord of een korte vorm noemen die ze al kennen.

Wat is de tegenwoordige tijd?

De tegenwoordige tijd gebruik je voor nu.


Voorbeeld:

  • Ik schrijf een brief.

  • Wij wonen in Nederland.

  • Jij spreekt Nederlands.

  • Zij komen morgen.

  • Hij gaat naar school.

Benadruk dat het hier om handelingen in het heden gaat. Laat eventueel horen dat sommige zinnen ook over een vaste gewoonte kunnen gaan, zoals 'Hij gaat naar school'.

Persoon en werkwoord

Het werkwoord verandert bij de persoon.


  • ik schrijf

  • jij schrijft

  • hij/zij schrijft

  • wij schrijven

  • jullie schrijven

  • zij schrijven

Gebruik op deze slide vooral 'schrijven' als model. Zo zien leerlingen eerst één duidelijk patroon voordat de andere werkwoorden volgen.

De vorm met ik

Bij ik gebruik je vaak de stam.


  • schrijven → ik schrijf

  • wonen → ik woon

  • spreken → ik spreek

  • komen → ik kom

  • gaan → ik ga

Noem kort dat 'gaan' hier anders oogt, maar voor leerlingen is de vorm 'ik ga' vooral een vorm om te onthouden.

De vorm met jij, hij en zij

Bij jij, hij en zij komt er vaak -t achter.


  • jij woont

  • hij spreekt

  • zij komt

  • jij schrijft

  • hij gaat

Houd het eenvoudig op A2-niveau. Je hoeft uitzonderingen zoals inversie nog niet uit te werken als dat niet nodig is voor deze les.

De vorm met wij en jullie

Bij wij, jullie en zij gebruik je vaak het hele werkwoord.


  • wij schrijven

  • jullie wonen

  • zij spreken

  • wij komen

  • jullie gaan

Maak het contrast duidelijk: ik = vaak stam, jij/hij/zij = vaak stam + t, wij/jullie/zij = hele werkwoord.

Welke vorm past bij 'jij'?

A

schrijft

B

schrijf

C

schrijven

D

geschreven

Controleert het patroon: jij/hij/zij krijgt vaak stam + t.

Vul de juiste vormen in

Ik woon in Nederland en jij woont dichtbij school. Wij schrijven in de klas en hij gaat naar school.

woon
woont
schrijven
gaat
woon
schrijft
gaan
komt

Herhaalt de drie patronen uit het eerste blok: ik-vorm, jij-vorm en wij-vorm.

Schrijven

Schrijven betekent: woorden op papier of op een scherm zetten.


Voorbeelden:

  • Ik schrijf een bericht.

  • Jij schrijft je naam.

  • Wij schrijven een e-mail.

This item has no instructions

Schrijven vervoegen

  • ik schrijf

  • jij schrijft

  • hij/zij schrijft

  • wij schrijven

  • jullie schrijven

  • zij schrijven

Wijs op de lastige spelling: schrijven → schrijf. Laat leerlingen goed kijken naar de korte vorm 'schrijf'.

Schrijven in zinnen

  • Ik schrijf in mijn schrift.

  • Jij schrijft een kaart.

  • Mijn broer schrijft langzaam.

  • Wij schrijven in de klas.

Je kunt hier aandacht geven aan woordenschat zoals schrift, kaart en langzaam, maar houd de focus op de werkwoordsvorm.

Welke zin is goed?

A

Wij schrijft een e-mail.

B

Jij schrijven je naam.

C

Ik schrijf een bericht.

D

Hij schrijven langzaam.

Gebaseerd op de voorbeelden met schrijven. Let op vorm bij ik, jij, hij en wij.

Schrijven invullen

Ik schrijf een bericht. Jij schrijft je naam. Wij schrijven een e-mail.

schrijf
schrijft
schrijven
schrijf
spreekt
wonen

Laat leerlingen het verschil zien tussen schrijf, schrijft en schrijven.

Wonen

Wonen betekent: ergens leven of een huis hebben.


Voorbeelden:

  • Ik woon in Amsterdam.

  • Jij woont dichtbij school.

  • Wij wonen in een flat.

This item has no instructions

Wonen vervoegen

  • ik woon

  • jij woont

  • hij/zij woont

  • wij wonen

  • jullie wonen

  • zij wonen

This item has no instructions

Wonen in zinnen

  • Ik woon in Nederland.

  • Jij woont in deze straat.

  • Zij woont met haar gezin.

  • Wij wonen hier al lang.

Leg eventueel kort uit dat 'met haar gezin' extra informatie is; het werkwoord blijft 'woont'.

Wat betekent 'wonen'?

A

praten in een taal

B

ergens leven

C

naar hier gaan

D

woorden opschrijven

Sluit aan bij de betekenis-slide van wonen.

Wonen invullen

Ik woon in Nederland. Jij woont in deze straat. Wij wonen hier al lang.

woon
woont
wonen
komt
wonen
spreekt

Oefent de vormen van wonen in bekende zinnen uit de les.

Spreken

Spreken betekent: praten in een taal.


Voorbeelden:

  • Ik spreek Nederlands.

  • Jij spreekt met de docent.

  • Wij spreken thuis Arabisch.

This item has no instructions

Spreken vervoegen

  • ik spreek

  • jij spreekt

  • hij/zij spreekt

  • wij spreken

  • jullie spreken

  • zij spreken

Benadruk de uitspraak rustig. Leerlingen kunnen 'spreekt' en 'spreken' makkelijk door elkaar halen.

Spreken in zinnen

  • Ik spreek met mijn vriend.

  • Jij spreekt goed Engels.

  • De leraar spreekt langzaam.

  • Wij spreken over school.

This item has no instructions

Welke vorm past bij 'de leraar'?

A

spreek

B

spreken

C

spreekt

D

gesproken

De leraar = hij/zij-vorm, dus stam + t.

Spreken invullen

Ik spreek met mijn vriend. Jij spreekt goed Engels. Wij spreken over school.

spreek
spreekt
spreken
schrijft
komt
ga

Oefent de drie kernvormen van spreken.

Komen

Komen betekent: naar een plaats gaan en daar aankomen.


Voorbeelden:

  • Ik kom uit Syrië.

  • Jij komt morgen.

  • Wij komen naar de les.

Noem kort dat 'komen uit' vaak gaat over herkomst, en 'komen naar' over richting of bestemming.

Komen vervoegen

  • ik kom

  • jij komt

  • hij/zij komt

  • wij komen

  • jullie komen

  • zij komen

This item has no instructions

Komen in zinnen

  • Ik kom uit Turkije.

  • Jij komt te laat.

  • Mijn ouders komen vanavond.

  • Wij komen naar school.

Als passend, kun je hier kort woordenschat toevoegen: te laat, vanavond, naar school.

Gaan

Gaan betekent: weggaan of naar een plaats bewegen.


Voorbeelden:

  • Ik ga naar huis.

  • Jij gaat met de bus.

  • Wij gaan naar de winkel.

This item has no instructions

Gaan vervoegen

  • ik ga

  • jij gaat

  • hij/zij gaat

  • wij gaan

  • jullie gaan

  • zij gaan

Benadruk dat 'gaan' een veelgebruikt werkwoord is. Laat leerlingen de vormen vaak horen en zien.

Gaan in zinnen

  • Ik ga nu weg.

  • Jij gaat naar de dokter.

  • Mijn zus gaat op fiets.

  • Wij gaan samen naar de markt.

Je kunt eventueel verbeteren naar 'met de fiets' als taalzorg, maar houd de aandacht bij de werkwoordsvorm 'gaat'.

Komen en gaan

Komen en gaan lijken op elkaar, maar ze betekenen niet hetzelfde.


  • komen = naar hier

  • gaan = naar daar

  • Ik kom naar school.

  • Ik ga naar huis.

Gebruik eventueel gebaren of pijlen in de klas om het verschil visueel te maken: naar de spreker toe versus van de spreker af.

Werkwoorden in één overzicht

  • ik schrijf / woon / spreek / kom / ga

  • jij schrijft / woont / spreekt / komt / gaat

  • wij schrijven / wonen / spreken / komen / gaan


Zo zie je het patroon van de tegenwoordige tijd.

Deze slide brengt de vijf werkwoorden samen. Laat leerlingen vooral het terugkerende patroon zien.

Wat is het verschil tussen komen en gaan?

A

komen = nu, gaan = morgen

B

komen = naar hier, gaan = naar daar

C

komen = enkelvoud, gaan = meervoud

D

komen = praten, gaan = wonen

Gebaseerd op de contrastslide komen en gaan.

Komen en gaan invullen

Ik kom uit Turkije en jij komt morgen. Wij gaan naar de markt en hij gaat naar huis.

kom
komt
gaan
gaat
komen
ga
woont
spreekt

Combineert de vervoeging van komen en gaan in zinnen uit de les.

Welk werkwoord vind jij het makkelijkst?

This item has no instructions

Wat vond je vandaag moeilijk?

This item has no instructions

Eén woord: wat onthoud je van deze les?

Gebruik de woordwolk als korte afsluiting. Verwachte woorden: ik-vorm, -t, schrijven, wonen, spreken, komen, gaan.

Woordenlijst

tegenwoordige tijd - een werkwoordsvorm voor nu

werkwoord - een woord dat zegt wat iemand doet

vervoegen - een werkwoord veranderen bij een persoon

stam - de korte basis van een werkwoord

schrijven - woorden op papier of op een scherm zetten

wonen - ergens leven of een huis hebben

spreken - praten in een taal

This item has no instructions

Woordenlijst

komen - naar een plaats gaan en aankomen

gaan - weggaan of naar een plaats bewegen

bericht - een korte tekst

gezin - vader, moeder en kinderen samen

straat - weg met huizen

markt - plaats waar je eten of spullen koopt

This item has no instructions