Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
This item has no instructions
Lesdoel
Ik kan de werkwoorden schrijven, wonen, spreken, komen en gaan in de tegenwoordige tijd goed gebruiken.
This item has no instructions
Welk werkwoord ken je al: schrijven, wonen, spreken, komen of gaan?
Gebruik dit als activering. Laat leerlingen één werkwoord of een korte vorm noemen die ze al kennen.
Wat is de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd gebruik je voor nu.
Voorbeeld:
Ik schrijf een brief.
Wij wonen in Nederland.
Jij spreekt Nederlands.
Zij komen morgen.
Hij gaat naar school.
Benadruk dat het hier om handelingen in het heden gaat. Laat eventueel horen dat sommige zinnen ook over een vaste gewoonte kunnen gaan, zoals 'Hij gaat naar school'.
Persoon en werkwoord
Het werkwoord verandert bij de persoon.
ik schrijf
jij schrijft
hij/zij schrijft
wij schrijven
jullie schrijven
zij schrijven
Gebruik op deze slide vooral 'schrijven' als model. Zo zien leerlingen eerst één duidelijk patroon voordat de andere werkwoorden volgen.
De vorm met ik
Bij ik gebruik je vaak de stam.
schrijven → ik schrijf
wonen → ik woon
spreken → ik spreek
komen → ik kom
gaan → ik ga
Noem kort dat 'gaan' hier anders oogt, maar voor leerlingen is de vorm 'ik ga' vooral een vorm om te onthouden.
De vorm met jij, hij en zij
Bij jij, hij en zij komt er vaak -t achter.
jij woont
hij spreekt
zij komt
jij schrijft
hij gaat
Houd het eenvoudig op A2-niveau. Je hoeft uitzonderingen zoals inversie nog niet uit te werken als dat niet nodig is voor deze les.
De vorm met wij en jullie
Bij wij, jullie en zij gebruik je vaak het hele werkwoord.
wij schrijven
jullie wonen
zij spreken
wij komen
jullie gaan
Maak het contrast duidelijk: ik = vaak stam, jij/hij/zij = vaak stam + t, wij/jullie/zij = hele werkwoord.
Welke vorm past bij 'jij'?
schrijft
schrijf
schrijven
geschreven
Controleert het patroon: jij/hij/zij krijgt vaak stam + t.
Vul de juiste vormen in
Ik woon in Nederland en jij woont dichtbij school. Wij schrijven in de klas en hij gaat naar school.
Herhaalt de drie patronen uit het eerste blok: ik-vorm, jij-vorm en wij-vorm.
Schrijven
Schrijven betekent: woorden op papier of op een scherm zetten.
Voorbeelden:
Ik schrijf een bericht.
Jij schrijft je naam.
Wij schrijven een e-mail.
This item has no instructions
Schrijven vervoegen
ik schrijf
jij schrijft
hij/zij schrijft
wij schrijven
jullie schrijven
zij schrijven
Wijs op de lastige spelling: schrijven → schrijf. Laat leerlingen goed kijken naar de korte vorm 'schrijf'.
Schrijven in zinnen
Ik schrijf in mijn schrift.
Jij schrijft een kaart.
Mijn broer schrijft langzaam.
Wij schrijven in de klas.
Je kunt hier aandacht geven aan woordenschat zoals schrift, kaart en langzaam, maar houd de focus op de werkwoordsvorm.
Welke zin is goed?
Wij schrijft een e-mail.
Jij schrijven je naam.
Ik schrijf een bericht.
Hij schrijven langzaam.
Gebaseerd op de voorbeelden met schrijven. Let op vorm bij ik, jij, hij en wij.
Schrijven invullen
Ik schrijf een bericht. Jij schrijft je naam. Wij schrijven een e-mail.
Laat leerlingen het verschil zien tussen schrijf, schrijft en schrijven.
Wonen
Wonen betekent: ergens leven of een huis hebben.
Voorbeelden:
Ik woon in Amsterdam.
Jij woont dichtbij school.
Wij wonen in een flat.
This item has no instructions
Wonen vervoegen
ik woon
jij woont
hij/zij woont
wij wonen
jullie wonen
zij wonen
This item has no instructions
Wonen in zinnen
Ik woon in Nederland.
Jij woont in deze straat.
Zij woont met haar gezin.
Wij wonen hier al lang.
Leg eventueel kort uit dat 'met haar gezin' extra informatie is; het werkwoord blijft 'woont'.
Wat betekent 'wonen'?
praten in een taal
ergens leven
naar hier gaan
woorden opschrijven
Sluit aan bij de betekenis-slide van wonen.
Wonen invullen
Ik woon in Nederland. Jij woont in deze straat. Wij wonen hier al lang.
Oefent de vormen van wonen in bekende zinnen uit de les.
Spreken
Spreken betekent: praten in een taal.
Voorbeelden:
Ik spreek Nederlands.
Jij spreekt met de docent.
Wij spreken thuis Arabisch.
This item has no instructions
Spreken vervoegen
ik spreek
jij spreekt
hij/zij spreekt
wij spreken
jullie spreken
zij spreken
Benadruk de uitspraak rustig. Leerlingen kunnen 'spreekt' en 'spreken' makkelijk door elkaar halen.
Spreken in zinnen
Ik spreek met mijn vriend.
Jij spreekt goed Engels.
De leraar spreekt langzaam.
Wij spreken over school.
This item has no instructions
Welke vorm past bij 'de leraar'?
spreek
spreken
spreekt
gesproken
De leraar = hij/zij-vorm, dus stam + t.
Spreken invullen
Ik spreek met mijn vriend. Jij spreekt goed Engels. Wij spreken over school.
Oefent de drie kernvormen van spreken.
Komen
Komen betekent: naar een plaats gaan en daar aankomen.
Voorbeelden:
Ik kom uit Syrië.
Jij komt morgen.
Wij komen naar de les.
Noem kort dat 'komen uit' vaak gaat over herkomst, en 'komen naar' over richting of bestemming.
Komen vervoegen
ik kom
jij komt
hij/zij komt
wij komen
jullie komen
zij komen
This item has no instructions
Komen in zinnen
Ik kom uit Turkije.
Jij komt te laat.
Mijn ouders komen vanavond.
Wij komen naar school.
Als passend, kun je hier kort woordenschat toevoegen: te laat, vanavond, naar school.
Gaan
Gaan betekent: weggaan of naar een plaats bewegen.
Voorbeelden:
Ik ga naar huis.
Jij gaat met de bus.
Wij gaan naar de winkel.
This item has no instructions
Gaan vervoegen
ik ga
jij gaat
hij/zij gaat
wij gaan
jullie gaan
zij gaan
Benadruk dat 'gaan' een veelgebruikt werkwoord is. Laat leerlingen de vormen vaak horen en zien.
Gaan in zinnen
Ik ga nu weg.
Jij gaat naar de dokter.
Mijn zus gaat op fiets.
Wij gaan samen naar de markt.
Je kunt eventueel verbeteren naar 'met de fiets' als taalzorg, maar houd de aandacht bij de werkwoordsvorm 'gaat'.
Komen en gaan
Komen en gaan lijken op elkaar, maar ze betekenen niet hetzelfde.
komen = naar hier
gaan = naar daar
Ik kom naar school.
Ik ga naar huis.
Gebruik eventueel gebaren of pijlen in de klas om het verschil visueel te maken: naar de spreker toe versus van de spreker af.
Werkwoorden in één overzicht
ik schrijf / woon / spreek / kom / ga
jij schrijft / woont / spreekt / komt / gaat
wij schrijven / wonen / spreken / komen / gaan
Zo zie je het patroon van de tegenwoordige tijd.
Deze slide brengt de vijf werkwoorden samen. Laat leerlingen vooral het terugkerende patroon zien.
Wat is het verschil tussen komen en gaan?
komen = nu, gaan = morgen
komen = naar hier, gaan = naar daar
komen = enkelvoud, gaan = meervoud
komen = praten, gaan = wonen
Gebaseerd op de contrastslide komen en gaan.
Komen en gaan invullen
Ik kom uit Turkije en jij komt morgen. Wij gaan naar de markt en hij gaat naar huis.
Combineert de vervoeging van komen en gaan in zinnen uit de les.
Welk werkwoord vind jij het makkelijkst?
This item has no instructions
Wat vond je vandaag moeilijk?
This item has no instructions
Eén woord: wat onthoud je van deze les?
Gebruik de woordwolk als korte afsluiting. Verwachte woorden: ik-vorm, -t, schrijven, wonen, spreken, komen, gaan.
Woordenlijst
tegenwoordige tijd - een werkwoordsvorm voor nu
werkwoord - een woord dat zegt wat iemand doet
vervoegen - een werkwoord veranderen bij een persoon
stam - de korte basis van een werkwoord
schrijven - woorden op papier of op een scherm zetten
wonen - ergens leven of een huis hebben
spreken - praten in een taal
This item has no instructions
Woordenlijst
komen - naar een plaats gaan en aankomen
gaan - weggaan of naar een plaats bewegen
bericht - een korte tekst
gezin - vader, moeder en kinderen samen
straat - weg met huizen
markt - plaats waar je eten of spullen koopt
This item has no instructions