Week 4: Feedback geven I en II

Communicatie: feedback

Vandaag leer je:

  1. waarom feedback belangrijk is in de zorg;

  2. het verschil tussen feedback op inhoud en op gedrag;

  3. hoe je feedback geeft met het 4G-model;

  4. hoe je een ik-boodschap gebruikt;

  5. hoe lichaamstaal invloed heeft op feedback.

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorCommunicatieMBOStudiejaar 2

This lesson contains 17 slides, with text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Communicatie: feedback

Vandaag leer je:

  1. waarom feedback belangrijk is in de zorg;

  2. het verschil tussen feedback op inhoud en op gedrag;

  3. hoe je feedback geeft met het 4G-model;

  4. hoe je een ik-boodschap gebruikt;

  5. hoe lichaamstaal invloed heeft op feedback.

Waarom geven we feedback?

Feedback helpt om:

  • goed gedrag te behouden en versterken;

  • van elkaar te leren;

  • fouten en onveilige situaties te voorkomen;

  • duidelijk te maken wat je van elkaar verwacht;

  • de samenwerking in het team te verbeteren.

Voorbeeld uit de zorg:

“Fijn dat je vóór de wondverzorging alle materialen hebt klaargelegd. Daardoor konden we rustig en hygiënisch werken.”


Wanneer moet je iets zeggen?

Bijvoorbeeld wanneer:

  • een collega niet naar je luistert;

  • iemand je steeds onderbreekt;

  • je de toon van iemand niet prettig vindt;

  • iemand onveilig of onhygiënisch handelt;

  • afspraken niet worden nagekomen.


Dilemma:
Je ziet tijdens je stage dat een medestudent vóór een verpleegtechnische handeling geen handhygiëne toepast.


Goede feedback

✓ Concreet – benoem wat je daadwerkelijk ziet of hoort.
✓ Gericht op gedrag – niet op iemands persoonlijkheid.
✓ Vanuit jezelf – vertel wat het met jou doet.
✓ Op tijd – wacht niet weken.
✓ Respectvol – doel is verbeteren, niet iemand afvallen.
✓ Met ruimte voor reactie – feedback is een gesprek.


Niet:
❌ “Jij werkt altijd slordig.”

Wel:
✓ “Ik zag dat je de medicatie niet controleerde met de medicatielijst.”

4G Model

1. Gedrag – Wat zie of hoor je?
2. Gevoel – Wat doet dit met jou?
3. Gevolg – Wat is het gevolg van het gedrag?
4. Gewenst – Wat zou je graag anders zien?


Ezelsbrug:
Gedrag → Gevoel → Gevolg → Gewenst

Voorbeeld 4G in de zorg

Situatie: een medestudent vergeet handhygiëne.


Gedrag
“Tijdens de wondzorg zag ik dat je je handen niet desinfecteerde voordat je begon.”

Gevoel
“Daar maak ik me zorgen over.”

Gevolg
“Hierdoor is er een groter risico op het verspreiden van micro-organismen en infecties.”

Gewenst
“Ik zou graag willen dat je de volgende keer vóór de handeling je handen desinfecteert.”



Vraag: Wat is hier anders aan dan zeggen:
“Jij werkt echt onhygiënisch!”

De ik-boodschap

Een ik-boodschap voorkomt dat feedback als een aanval klinkt.

Ik merk/zie dat…
Ik voel/vind…
Omdat…
Ik zou graag willen dat…

Bijvoorbeeld:

“Ik merk dat je mij een paar keer onderbreekt terwijl ik de overdracht geef. Ik merk dat ik daardoor mijn verhaal kwijtraak. Ik zou het fijn vinden als je me eerst laat uitpraten.”

Jij-boodschap:
❌ “Jij luistert ook nooit!”

Vergeet je lichaamstaal niet

Je geeft niet alleen feedback met woorden.

Let op:

  • oogcontact;

  • gezichtsuitdrukking;

  • houding;

  • stemvolume;

  • intonatie;

  • afstand tot de ander;

  • gebaren.


Dezelfde zin kan door je lichaamstaal heel anders overkomen.

Oefenen voor de klas


Kies één situatie:

A. Een medestudent vergeet handhygiëne.
B. Een collega kijkt tijdens de overdracht steeds op zijn telefoon.
C. Een medestudent laat jou steeds al het werk doen.
D. Een collega onderbreekt jou steeds wanneer je iets vertelt.


Opdracht:

  1. Geef feedback met de 4 G's.

  2. Gebruik een ik-boodschap.

  3. Let bewust op je lichaamstaal.

  4. De ontvanger reageert op de feedback.

  5. Wisselen.

4G Model

1. Gedrag – Wat zie of hoor je?
2. Gevoel – Wat doet dit met jou?
3. Gevolg – Wat is het gevolg van het gedrag?
4. Gewenst – Wat zou je graag anders zien?


Ezelsbrug:
Gedrag → Gevoel → Gevolg → Gewenst

Goede feedback geven is één kant. Je moet het ook kunnen ontvangen.


Wanneer je feedback krijgt:

  • luister eerst;

  • laat de ander uitpraten;

  • ga niet direct in de verdediging;

  • vraag om een voorbeeld als iets onduidelijk is;

  • controleer of je het goed begrijpt;

  • bedenk wat je ermee kunt doen.


Je hoeft het niet direct met alle feedback eens te zijn.

Feedback ontvangen

We sluiten af met positieve feedback.


Benoem van de persoon die links naast je zit één kwaliteit die jij bij die persoon ziet.

Maar alleen een kwaliteit noemen is niet genoeg!

Vertel ook:

  • Welke kwaliteit zie je?

  • Waaraan merk je dat?

  • Welk concreet gedrag heb je gezien?

Voorbeeld:
“Ik vind jou behulpzaam, omdat je tijdens opdrachten vaak kijkt of iemand hulp nodig heeft en dan aanbiedt om te helpen.”

Dus niet alleen:
“Jij bent behulpzaam.”
Maar:
“Jij bent behulpzaam, omdat ik zie dat…”

Uitproberen!

Jullie mogen nu zelf het spel spelen! Of aan de slag met je planning.