taal verkennen thema 4

Taal actief 5, toets thema 4
1 / 31
next
Slide 1: Slide
TaalBasisschoolGroep 7

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 1 min

Items in this lesson

Taal actief 5, toets thema 4

Slide 1 - Slide

Wat gaan we herhalen?
- Het bijvoeglijk naamwoord in de zin
- Werkwoorden met vaste voorzetsels
- Hoofdletters
- Verkleinwoorden
- Menselijke eigenschappen

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Vinz leest in de bibliotheek een leuk, spannend boek.
A
bibliotheek
B
Vinz
C
leuk
D
leuk, spannend

Slide 4 - Quiz

Juf Fleur geeft binnenkort een lange, interessante geschiedenisles over de Tweede Wereldoorlog.
A
lange
B
interessante
C
lange, interessante
D
geschiedenisles

Slide 5 - Quiz

De jongen is verlegen en boos.
Schrijf de hele zin op:
De ________ en __________ jongen

Slide 6 - Open question

De tekening is vrolijk en mooi.
Schrijf de hele zin op:
De ________ en _________ tekening.

Slide 7 - Open question

Slide 8 - Slide

Wat is het hele werkwoord en voorzetsel in deze zin?

Meneer Smeenk stopt 1 maart met koffie drinken.
A
stopt
B
stoppen met
C
stopt met
D
stop met

Slide 9 - Quiz

Wat is het hele werkwoord en voorzetsel in deze zin?

Ik denk vaak aan jou.
A
denk
B
denken aan
C
denk aan
D
denk vaak

Slide 10 - Quiz

Wat is het hele werkwoord en voorzetsel in deze zin?

We lachen vaak om haar grapjes.
A
lachen om haar
B
lach
C
lachen
D
lachen om

Slide 11 - Quiz

Wat is het hele werkwoord en voorzetsel in deze zin?

Ik droom van een grotere kamer.
A
dromen van
B
droom van
C
droom

Slide 12 - Quiz

Vul de goede vorm van het werkwoord en het voorzetsel in.
Werkwoord: zorgen

De meester ______ goed ______ zijn leerlingen

Slide 13 - Open question

Vul de goede vorm van het werkwoord en het voorzetsel in.
werkwoord: dromen

Zij ______ vaak ______ een reis naar Ijsland.

Slide 14 - Open question

Vul de goede vorm van het werkwoord en het voorzetsel in.
Werkwoord: wachten

Wij ______ al een uur ______ de bus.

Slide 15 - Open question

Slide 16 - Slide

Schrijf de zin over met de juiste hoofdletters:

onze school viert kerstavond op de donderdag voor kerstmis.

Slide 17 - Open question

Schrijf de zin op met de juiste hoofdletters:

in de week voor sinterklaas wil ik mijn sinterklaasgedicht maken.

Slide 18 - Open question

Schrijf de zin op met de juiste hoofdletters:

ik heb een leuk moederdagcadeau in gedachten voor moederdag.

Slide 19 - Open question

Slide 20 - Slide

Welk woord heeft geen basisvorm:

een buikje hebben
op het nippertje
een apenstaartje typen
A
buikje
B
nippertje
C
apenstaartje

Slide 21 - Quiz

Welk woord heeft een andere betekenis dan de basisvorm?

een buikje hebben
op het nippertje
een apenstaartje typen
A
buikje
B
nippertje
C
apenstaartje

Slide 22 - Quiz

Welke wordt gebruikt om iets minder erg te laten lijken?

een buikje hebben
op het nippertje
een apenstaartje typen
A
buikje
B
nippertje
C
apenstaartje

Slide 23 - Quiz

Welk woord heeft geen basisvorm?

een ijsje eten
een pijntje voelen
een toetje maken
A
ijsje
B
pijntje
C
toetje

Slide 24 - Quiz

Welk woord heeft een andere betekenis dan de basisvorm?

een ijsje eten
een pijntje voelen
een toetje maken
A
ijsje
B
pijntje
C
toetje

Slide 25 - Quiz

Welk woord wordt gebruikt om iets minder erg te laten lijken?

een ijsje eten
een pijntje voelen
een toetje maken
A
ijsje
B
pijntje
C
toetje

Slide 26 - Quiz

Slide 27 - Slide

Welke woorden in de zin horen bij een menselijke eigenschap?

De sluwe vos zit langs de kant van de weg.
A
sluwe
B
vos
C
weg
D
kant

Slide 28 - Quiz

Welke woorden in de zin horen bij een menselijke eigenschap?

De chocoladereep smeekt mij om hem te kopen.
A
chocoladereep
B
smeekt
C
hem
D
kopen

Slide 29 - Quiz

Welke woorden in de zin horen bij een menselijke eigenschap?

De domme ezel at veel te veel gras.
A
domme
B
ezel
C
veel te veel
D
gras

Slide 30 - Quiz

Ik ben goed voorbereid voor de taaltoets.
😒🙁😐🙂😃

Slide 31 - Poll