1.4 Organellen deel 2

1.4 Organellen deel 2

  • Je kunt beschrijven hoe transport van stoffen via celmembranen plaatsvindt.


  • Je kunt de bouw en functie van het cytoskelet en celmembraan beschrijven.

1 / 19
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieWOStudiejaar 3

This lesson contains 19 slides, with text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

1.4 Organellen deel 2

  • Je kunt beschrijven hoe transport van stoffen via celmembranen plaatsvindt.


  • Je kunt de bouw en functie van het cytoskelet en celmembraan beschrijven.

Cytoskelet

  • In cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels -> cytoskelet


Functies:

  • Stevigheid en vorm

    • Microfilamenten (zeer dunne eiwitdraden) en microtubuli (eiwitbuisjes) vormen een netwerk door de cel.

    • Dit netwerk geeft de cel stevigheid en helpt de cel zijn vorm te behouden.



  • In cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels -> cytoskelet


Functies:

  • Beweging

    • Microtubuli vormen de basis van ciliën (trilharen) en flagellen. Door beweging van deze structuren kan een cel of vloeistof langs een cel bewegen.

  • Bijvoorbeeld: een zaadcel gebruikt een flagel om zich voort te bewegen.

Cytoskelet

  • In cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels -> Cytoskelet


Functies:

  • Transportsysteem

    • Microtubuli en microfilamenten vormen een netwerk.

    • Motoreiwitten binden aan deze structuren en vervoeren bijvoorbeeld transportblaasjes en organellen.

    • Bijvoorbeeld: transport van blaasjes van het ER naar het Golgisysteem.

Cytoskelet

  • In cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels -> cytoskelet


Functies:

  • Vormverandering

    • Het cytoskelet wordt voortdurend opgebouwd en afgebroken → hierdoor kan de cel van vorm veranderen.

    • Belangrijk bij het vormen en afsnoeren van transportblaasjes.

Cytoskelet

Transportblaasjes

  • Wat zit er in bellenblaas?



  • Waar bestaat een zeepbel uit?



  • Niet alle stoffen lossen op in water.


  • Hydrofobe stoffen: slecht mengbaar met water.


  • Hydrofiele stoffen: goed mengbaar met water.







Interactie tussen stoffen en water

Interactie tussen stoffen en water

  • Water is polair en kan daardoor goed interacties aangaan met andere polaire of geladen stoffen → deze mengen vaak goed met water (hydrofiel).


  • Apolaire stoffen kunnen weinig interacties aangaan met water → deze mengen meestal slecht met water (hydrofoob).

  • Vergelijkbare moleculen die voorkomen in je cellen zijn fosfolipides.

    • Fosfolipiden hebben een hydrofiele (polaire) kop en hydrofobe (apolaire) staarten.


    • De binnen- en buitenkant van cellen en celorganellen is waterig.


    • Hoe zullen fosfolipiden zich in deze waterige omgeving rangschikken?

  • Binas 79D


  • Het celmembraan, het ER, het Golgisysteem en transportblaasjes worden omgeven door een dubbele laag fosfolipiden.


  • Waarom is de bouw van het celmembraan zo belangrijk voor de functie van de cel?

Blaasjes en membranen

  • De structuur van het celmembraan vormt een barrière voor veel stoffen die de cel in of uit willen, voornamelijk polaire stoffen zoals water kunnen niet makkelijk door membraan heen.


  • Hierdoor kan de cel regelen welke stoffen de cel in- en uitgaan. Kleine apolaire moleculen zoals gassen kunnen wel het membraan over.


  • Grote stoffen, zoals eiwitten, kunnen bijvoorbeeld via transportblaasjes de cel worden uitgetransporteerd.

Transport over het membraan

Transport over het membraan (Binas 79D)

  • Membraaneiwitten: veel van deze eiwitten spelen een rol bij transport in en uit de cel.

-> Bijvoorbeeld aquaporines (water)


  • Receptoreiwitten: eiwitten met daaraan koolhydraatketens. Spelen een rol bij celherkenning. Hierdoor kan het afweersysteem lichaamseigen cellen onderscheiden van lichaamsvreemde cellen.



Afmaken opdrachten 1.4 -> 62 + 63 + 65 + 69 + 74

Mogelijke antwoorden:

  • Fosfolipiden/ eiwitten/ cholesterol/ cellulose


  • Hydrofoob of hydrofiel, hydrofoob of hydrofiel


  • Actief of passief transport


  • A of B


  • Hoge naar lage concentratie of lage naar hoge concentratie

Mogelijke antwoorden:

  • Actief of passief transport

  • A of B

  • Hoge naar lage concentratie of lage naar hoge concentratie

  • Door de laag phospholipiden of via transporteiwitten

  • Ionen/gassen/water/suikers

Mogelijke antwoorden:

  • Door de laag phospholipiden of via transporteiwitten

  • wel of geen

  • Actief transport/gefaciliteerde diffusie/osmose/ diffussie

  • ionen/vetten/gassen

  • Actief transport/gefaciliteerde diffusie/osmose/ diffussie