Cellen en transport (Biologie havo), les 2: Examentraining

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Examentraining

Cellen en transport: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: vorm en functie van organellen, welk soort transport, gegevens over osmotische waarde vergelijken en turgor en plasmolyse bij plantencellen.

Items in this lesson

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Examentraining

Cellen en transport: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Trương Minh Khải / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een situatie een organel, een soort transport of de werking van osmose herkennen en mijn antwoord onderbouwen.

This item has no instructions

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is gegeven: een cel, een stof, een foto of getallen?

  • 2. Herken: welk organel, welk soort transport of welke oplossing past erbij?

  • 3. Vergelijk: waar is de concentratie of osmotische waarde hoger?

  • 4. Schrijf: een kort antwoord met het begrip én de reden.

This item has no instructions

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Vraagtype 1: vorm en functie

  • Koppel wat een cel veel moet doen aan zijn organellen.

  • Veel energie nodig: veel mitochondriën. Veel eiwitten maken en afgeven: veel ribosomen, ruw ER en golgi-systeem.

  • Veel afbreken: veel lysosomen. Vraag je steeds af: wat doet deze cel veel?

This item has no instructions

Een kliercel maakt veel eiwitten en geeft ze af. Welke organellen zijn dan extra talrijk?

A

Bladgroenkorrels en een grote vacuole

B

Trilharen en een celwand

C

Ruw ER en golgi-systeem

D

Lysosomen en een celwand

Eiwitten worden gemaakt door ribosomen op het ruw ER en verpakt en afgegeven door het golgi-systeem. Verwachte fout: lysosomen kiezen omdat die ook blaasjes zijn.

Waarom heeft een spiercel veel mitochondriën?

Mitochondriën maken energie vrij en een spiercel heeft veel energie nodig om samen te trekken. Verwachte fout: 'ze maken energie' zonder de koppeling aan de spiercel.

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Vraagtype 2: welk transport?

  • Kijk naar de richting: van hoog naar laag is passief, van laag naar hoog is actief.

  • Kost het energie? Dan actief transport, ionentransport, endocytose of exocytose.

  • Gaat het om water door een membraan? Dan is het osmose.

  • Voorbeeld: zuurstof gaat door diffusie van de longblaasjes naar het bloed.

This item has no instructions

Een wortelcel neemt ionen op van lage naar hoge concentratie. Welk transport?

A

Diffusie

B

Actief transport

C

Osmose

D

Exocytose

Van lage naar hoge concentratie kost energie: actief transport. Verwachte fout: diffusie kiezen omdat de cel ionen opneemt.

Hoe komt een groot eiwit de cel uit?

Door exocytose: een blaasje (uit het golgi-systeem) versmelt met het celmembraan en geeft het eiwit af buiten de cel. Verwachte fout: diffusie noemen. Grote deeltjes gaan niet door het membraan.

Een cel in een isotonische, hypotonische en hypertonische oplossing

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Vraagtype 3: gegevens vergelijken

  • Vergelijk de osmotische waarde van de cel met die van de oplossing.

  • Oplossing lager dan de cel: hypotonisch. Water gaat de cel in.

  • Oplossing hoger dan de cel: hypertonisch. Water gaat de cel uit.

  • Even hoog: isotonisch. Er is geen netto verplaatsing van water.

Image credit: Eigen afbeelding

Rode bloedcel 0,9 in oplossing 1,5 (osmotische waarde). Wat gebeurt er?

A

Water gaat de cel in, de cel zwelt

B

Er is geen netto transport van water

C

De cel neemt actief water op en zwelt

D

Water verlaat de cel, de cel krimpt

De oplossing heeft de hoogste osmotische waarde, dus water gaat de cel uit. Verwachte fout: denken dat water naar de lage waarde gaat.

In welke oplossing zwelt een cel van 0,5? A: 0,2. B: 0,5. C: 0,8.

A

Alleen in B

B

Alleen in C

C

In A en in C

D

Alleen in A

Alleen in A is de oplossing hypotonisch, dus water gaat de cel in. In B is het isotonisch, in C krimpt de cel. Verwachte fout: A en C kiezen omdat de waarde verschilt.

Plasmolyse in cellen van rode ui onder de microscoop

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Vraagtype 4: plantencel en stevigheid

  • Vraag eerst: neemt de cel water op of verliest hij water?

  • Wateropname in een hypotonische oplossing: turgor.

  • Waterverlies in een hypertonische oplossing: plasmolyse.

  • Noem de oplossing, de richting van het water en het gevolg voor de cel.

Image credit: Trương Minh Khải / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

Cellen van rode ui liggen in een sterke zoutoplossing. Wat zie je onder de microscoop?

A

De cellen barsten open

B

Het celmembraan laat los van de celwand

C

De vacuolen worden groter

D

De celwand lost op

Hypertonische oplossing: water verlaat de cel, plasmolyse. Verwachte fout: denken dat de cel barst, zoals een dierlijke cel in zuiver water.

Waarom knapt een plantencel in water niet?

De celwand houdt de cel tegen. Er ontstaat turgor in plaats van knappen. Verwachte fout: alleen 'door het membraan' zeggen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Vorm en functie van organellen

2

Welk transport?

3

Gegevens over osmotische waarde vergelijken

4

Plantencel, turgor en plasmolyse

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

CEL · BOUW EN TRANSPORT

Tips voor op het examen

  • Schrijf bij transport altijd de richting op: van hoge naar lage concentratie of andersom.

  • Water gaat bij osmose naar de plek met de hoogste osmotische waarde.

  • Hypo en hyper gaan over de oplossing buiten de cel, vergeleken met de cel.

  • Noem bij een plantencel altijd de celwand als je turgor of plasmolyse uitlegt.

This item has no instructions