2AH -bron H pouvoir & vouloir - c.3 ed.6 - 19/2

BONJOUR
tout le monde!!
                      LET OP
  • Ga zitten volgens plattegrond
  • Leg je boek en iPad op tafel
  • Log alvast in in de LessonUp
  • iPad ligt met het scherm naar beneden
1 / 47
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo t, havo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

BONJOUR
tout le monde!!
                      LET OP
  • Ga zitten volgens plattegrond
  • Leg je boek en iPad op tafel
  • Log alvast in in de LessonUp
  • iPad ligt met het scherm naar beneden

Slide 1 - Slide

Bonjour!
timer
5:00


Exercice:
Leer de woordjes van A en B FN en NF. (blz 128).



Ga zitten en pak je boek voor

Slide 2 - Slide

En duo's
timer
2:30


Exercice:
Overhoor je klasgenoot. Vraag woorden uit voca A en B. Corriger je je klasgenoot bij een fout.



Slide 3 - Slide

Bonjour!
timer
5:00


Exercice 1:
Maak opdracht 12a + 13d

Exercice 2:
Kijk opdracht 10 - 13 na met de lessonUp corriger

Exercice 3:
Oefen de woordjes A en B met slimstampen.



Ga zitten en pak je schrift, je laptop en boek voor.

Slide 4 - Slide

Planning

Uitleg werkwoordspelling 

Zelfstandig met de oefeningen aan de slag
Aujourd'hui
Jeudi 19 février
1. But                                  
2. Grammaire H              
3. Travail individuel
4. Evaluation                       
But: Ik weet wat de vertaling van pouvoir en vouloir in het Nederlands is. 
Ik ken een aantal vormen van het werkwoord pouvoir en vouloir.

Slide 5 - Slide

Vouloir & pouvoir
willen en kunnen

Slide 6 - Slide

VOULOIR = WILLEN

POUVOIR = KUNNEN



Je ziet deze werkwoorden vaak in combinatie met een heel werkwoord.
Voorbeeld: Je veux acheter un jean
                         Elles peuvent donner le cadeau

Slide 7 - Slide

VOULOIR (= willen)
Présent (tegenwoordige tijd) 
Je veux
Tu veux
Il/elle/on veut
Nous voulons
Vous voulez
Ils/elles veulent

Slide 8 - Slide

POUVOIR (= kunnen, mogen)
Présent (tegenwoordige tijd) 
Je peux
Tu peux
Il/elle/on peut
Nous pouvons
Vous pouvez
Ils/elles peuvent

Slide 9 - Slide

Sleep de vervoeging naar het juiste werkwoord
Vouloir
Pouvoir
Veux
Voulons
Peux
Pouvez
Peuvent
Veut
Veulent
Pouvons

Slide 10 - Drag question

Je gaat nu zelfstandig verder oefenen.
Lees de vraag telkens goed zodat je weet welk werkwoord je moet vervoegen. Je mag je boek erbij gebruiken.

Slide 11 - Slide

Je veux
Tu veux
Elle veut
Nous voulons
Vous voulez
Ils veulent
Ik wil
Jij wilt
Zij wil
Wij willen
Jullie willen
Zij willen

Slide 12 - Drag question

Welke vorm hoort bij welke persoon?
je
tu
il
nous
vous
elles
voulons
veulent
veux
veux
veut
voulez

Slide 13 - Drag question

Welke vorm hoort bij welke persoon?
je
tu
il
nous
vous
elles
pouvez
peux
peut
peuvent
peux
pouvons

Slide 14 - Drag question

Je peux
Tu peux
Il peut
Elle peut
Nous pouvons
Vous pouvez
Ils/elles peuvent
Ik kan
Jij mag
Hij kan
Zij mag
Wij kunnen
Jullie mogen
Zij mogen

Slide 15 - Drag question

Zet het werkwoord in de juiste vorm.
Ik kan = Je (pouvoir)
A
peux
B
veux
C
peut
D
veut

Slide 16 - Quiz

Zet het werkwoord in de juiste vorm.
Zij mogen = Ils (pouvoir)
A
peut
B
peuvent
C
veut
D
veulent

Slide 17 - Quiz

Zet het werkwoord in de juiste vorm.
Jullie willen = Vous (vouloir)
A
pouvons
B
pouvez
C
voulons
D
voulez

Slide 18 - Quiz

Zet het werkwoord in de juiste vorm.
Wij kunnen = Nous (pouvoir)

Slide 19 - Open question

Zet het werkwoord in de juiste vorm.
Wij willen = Nous (vouloir)

Slide 20 - Open question

Zet het werkwoord in de juiste vorm.
Jij wilt = Tu (vouloir)

Slide 21 - Open question

Zet het werkwoord in de juiste vorm.
De leraar kan = le prof (pouvoir)

Slide 22 - Open question

Zet het werkwoord in de présent.
Elle (vouloir)
A
voulons
B
veux
C
voulu
D
veut

Slide 23 - Quiz

Zet het werkwoord in de présent.
Vous (vouloir)
A
veut
B
veulent
C
voulons
D
voulez

Slide 24 - Quiz

Zet het werkwoord in de présent.
Ils (vouloir)
A
veulent
B
voulu
C
veut
D
voulons

Slide 25 - Quiz

je (pouvoir)
A
peut
B
peux
C
peuvent
D
pouvez

Slide 26 - Quiz

elles ___ (pouvoir)
A
peux
B
peut
C
pouvez
D
peuvent

Slide 27 - Quiz

nous ___ (pouvoir)
A
voulons
B
voulez
C
pouvons
D
pouvez

Slide 28 - Quiz

Werkwoord
vouloir/pouvoir: invullen

Slide 29 - Slide

Voer de juiste vorm van vouloir in:
nous ______________ (présent)

Slide 30 - Open question

Voer de juiste vorm van vouloir in:
Ta copine ______________ (présent)

Slide 31 - Open question

Voer de juiste vorm van pouvoir in:
je ______________ (présent)

Slide 32 - Open question

Voer de juiste vorm van pouvoir in:
les garçons ______________ (présent)

Slide 33 - Open question

Voer de juiste vorm van vouloir in:
Alexandre __________

Slide 34 - Open question

Voer de juiste vorm van pouvoir in:
Vous __________

Slide 35 - Open question

Voer de juiste vorm van vouloir in:
Mes frères __________

Slide 36 - Open question

Travail individuel
quoi (wat) 
H: Ex.: 31bdef p.124
A: Ex.: 31d, 32abd  p. 124
aide (hulp)
LessonUp/ groene blok blz. 124/ de 4B's
temps (tijd)
tot de laatste 5 min van de les.
prêt (klaar)?
1. Nakijken met de lessonUp 'corriger'
2. www.verbuga.eu 
tijd: présent
werkwoorden: pouvoir + vouloir
3. Slimstampen A, B en C
Devoirs
afmaken leswerk + leren H

Slide 37 - Slide

Travail individuel
quoi (wat) 
Ex.: 31bdef p.124
aide (hulp)
LessonUp/ groene blok blz. 124/ de 4B's
temps (tijd)
tot de laatste 5 min van de les.
prêt (klaar)?
1. Nakijken met de lessonUp 'corriger'
2. www.verbuga.eu 
tijd: présent
werkwoorden: pouvoir + vouloir
3. Slimstampen A, B en C
Devoirs
afmaken leswerk + leren H

Slide 38 - Slide

www.verbuga.eu
In de volgende dia kun je naar www.verbuga.eu en ga je verder oefenen.
Bij werkwoorden zet je erin: pouvoir en vouloir
Bij tijden zet je erin: présent

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Link

Evaluation
But:  
Ik weet wat de vertaling van pouvoir en vouloir in het Nederlands is.

Ik ken een aantal vormen van het werkwoord pouvoir en vouloir.

Slide 41 - Slide

Wat is de Nederlandse vertaling van
POUVOIR?

Slide 42 - Open question

Wat is de Nederlandse vertaling van
VOULOIR?

Slide 43 - Open question

Sleep de vervoeging naar het juiste werkwoord
Vouloir
Pouvoir
Veux
Voulons
Peux
Pouvez
Peuvent
Veut
Veulent
Pouvons

Slide 44 - Drag question

Welke vorm hoort bij welke persoon?
je
tu
il
nous
vous
elles
pouvez
peux
peut
peuvent
peux
pouvons

Slide 45 - Drag question

Welke vorm hoort bij welke persoon?
je
tu
il
nous
vous
elles
voulons
veulent
veux
veux
veut
voulez

Slide 46 - Drag question

Slide 47 - Slide