Communicatie les 3: identiteit

Communicatie 
1 / 14
next
Slide 1: Slide
CommunicatieMBOStudiejaar 1

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Communicatie 

Slide 1 - Slide

Programma
  • Theorie 10 - 15 min.
  • Quizlet - 20 min.
  • Uitleg en begin maken aan eindopdracht of kijken docu? (20 min.)

Slide 2 - Slide

Identiteit
Het bestaat uit:
  • Afkomst
  • Uiterlijk
  • Beroep / wat je doet
  • Interesses & hobby’s
  • Karakter
De combinatie van deze kenmerken maakt jou uniek. Iedereen heeft een eigen, persoonlijke identiteit.

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Hoe zou je de Nederlandse identiteit omschrijven?

Slide 5 - Open question

Slide 6 - Video

Denk je nu anders over de Nederlandse identiteit?

Slide 7 - Open question

Je identiteit onderverdelen
  • Je persoonlijke identiteit
  • Je sociale identiteit 
  • Groepsidentiteit. 

Slide 8 - Slide

Persoonlijke identiteit
  • Alles wat jou uniek maakt als persoon
  • Karakter en persoonlijkheid
  • Uiterlijk en afkomst
  • Hobby’s, interesses, dromen en doelen

Slide 9 - Slide

Voorbeelden persoonlijke identiteit
  • Ik ben rustig / sociaal / direct / zorgzaam
  • Ik houd van gamen / sporten / koken / muziek
  • Ik denk veel na of ben juist impulsief
  • Ik heb bepaalde dromen voor de 

Slide 10 - Slide

Sociale identiteit
  • Gaat over de groepen waar jij bij hoort
  • Je rol binnen die groepen
  • In elke groep laat je een ander stukje van jezelf zien
  • Je sociale identiteit groeit met je mee

Slide 11 - Slide

Voorbeelden rollen
  • Thuis: dochter, zoon, zus, broer
  • Op school: student, klasgenoot
  • Op werk: medewerker, collega
  • In een vriendengroep: grappenmaker, luisteraar, leider, stille kracht

Slide 12 - Slide

Groepsidentiteit
  • De regels, gewoontes en waarden van een groep
  • Wat jullie bindt en onderscheidt van andere groepen
  • Door je aan de regels te houden laat je zien: hier hoor ik bij

Slide 13 - Slide

Identiteit & communicatie
  • Wie jij bent, beïnvloedt hoe jij communiceert
  • Met vrienden praat je vaak anders dan met docenten of collega’s
  • Je past je taal, toon en houding aan de groep aan

Slide 14 - Slide