3HV Pincode H3 Omgaan met geld

3HV Pincode H2
3HV Pincode H3. Omgaan met geld. 
01
Wat gaan we doen vandaag: 
  • Introductie H3 omgaan met geld               (15 min) 
  • Uitleg en opdracht spaarmotieven             (15 min) 
  • Uitleg & oefenen enkelvoudige rente         (15 min)  

Lesdoelen. Wat heb je aan het einde van deze les geleerd. 
  1.  Je kunt uitleggen wat sparen is en je kunt drie spaarmotieven benoemen en toepassen op een voorbeeld. 
  2. Je kunt uitleggen wat rente is en wanneer je dit krijgt. 
  3. Je kunt enkelvoudige rente berekenen. 
1 / 41
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

3HV Pincode H2
3HV Pincode H3. Omgaan met geld. 
01
Wat gaan we doen vandaag: 
  • Introductie H3 omgaan met geld               (15 min) 
  • Uitleg en opdracht spaarmotieven             (15 min) 
  • Uitleg & oefenen enkelvoudige rente         (15 min)  

Lesdoelen. Wat heb je aan het einde van deze les geleerd. 
  1.  Je kunt uitleggen wat sparen is en je kunt drie spaarmotieven benoemen en toepassen op een voorbeeld. 
  2. Je kunt uitleggen wat rente is en wanneer je dit krijgt. 
  3. Je kunt enkelvoudige rente berekenen. 

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Video

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Er zijn in Nederland 8.4 miljoen huishoudens. Hoeveel spaargeld is er per huishouden?

Slide 4 - Open question

This item has no instructions

Slide 5 - Video

This item has no instructions

Blz. 72/73. Omgaan met geld 

  • Gezamenlijk lezen teksten op blz. 72, 73 & 75. 
  • Sparen: een deel van je geld opzij zetten. Drie spaarmotieven 
  1. Sparen voor een doel. 
  2. Sparen uit voorzorg (incidentele uitgaven)  
  3. Sparen voor rente. (inkomen uit bezit) 
  • Opdracht 5 blz. 74. 


Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Blz. 74/75 Omgaan met geld 
  • Wanneer je spaart ontvang je rente. Een beloning omdat iemand anders tijdelijk jouw geld mag gebruiken.  Rente ontvang je per jaar. 2 soorten rente 
  1. Enkelvoudige rente = enkel rente op je spaargeld 
  2. Samengestelde rente = rente op spaargeld en verdiende rente. 

  • Opdracht 7 blz. 75 

  • Groeifactor = rentepercentage weergegeven in decimaal getal. Bijv. 2.5% rente wordt 1.025 procent. (2.5:100 = 0.025 wordt 1.025) 
  • Opdracht 8 blz. 75 


Slide 7 - Slide

This item has no instructions

3HV Pincode H2
3HV Pincode H3. Omgaan met geld. 
02
Wat gaan we doen vandaag: 
  • Oefenen enkelvoudige rente                      (20 min)  
  • Uitleg en oefenen samengestelde rente    (25 min) 

Lesdoelen. Wat heb je aan het einde van deze les geleerd. 
  1. Je kunt uitleggen wat rente is en wanneer je dit krijgt. 
  2. Je kunt enkelvoudige rente berekenen voor meerdere jaren. 
  3. Je kunt uitleggen wat samengestelde rente is en je kunt samengestelde rente berekenen. 

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Op een rekening krijg je een rentepercentage van 2.5%

Geef dit getal weer in een groeifactor.

Slide 9 - Open question

1.025 (2.5:100 = 0.025 wordt 1.025) 
Pam heeft op haar spaarrekening € 3500,- staan
Ze ontvangt een rente van 3% per jaar.

Bereken haar eindsaldo inclusief rente.

Slide 10 - Open question

3500 x 1.03 = 3605,- 
Enkelvoudige rente berekenen.

Jasmin zet €275 op haar rekening tegen 1.8% rente. Bereken wat haar eindsaldo bij jaar 1 is.

Slide 11 - Open question

€ 279.95 
Enkelvoudige rente berekenen.
Mario heeft net een bedrag van € 7.500 op zijn rekening gezet. Er stond al € 18.500 op. Hij krijgt 2.4% rente over het hele bedrag. Bereken zijn banksaldo na 1 jaar.

Slide 12 - Open question

€ 18.500 + € 7500 = € 26.000 x 1,024 = € 26624,- 
Enkelvoudige rente berekenen.
Peter heeft een bedrag van € 2700,- op zijn spaarrekening staan en krijgt 2.1% rente. Hij laat dit bedrag twee jaar op zijn rekening staan. Bereken wat zijn eindsaldo is na 2 jaar.

Slide 13 - Open question

€ 2700,- x 1.021 = € 2756.7  
Jaar 2 komt er nog eens € 56.70 bij 
€ 2756.7 + 56.70 = € 2813.4 
Blz. 76  Omgaan met geld 
  • Wanneer je spaart ontvang je rente. Een beloning omdat iemand anders tijdelijk jouw geld mag gebruiken.  Rente ontvang je per jaar. 2 soorten rente 
  1. Enkelvoudige rente = Enkel rente op je spaargeld 
  2. Samengestelde rente = Rente op spaargeld en gekregen rente. (rente op rente) 

  • Opdr 10 blz. 76 
  • Voor 1, 2 of 3 jaar kan je dit nog berekenen. Maar ook voor 25 jaar? 
  • Maak opdracht 12. 


Slide 14 - Slide

This item has no instructions

3HV Pincode H2
3HV Pincode H3. Omgaan met geld. 
03
Wat gaan we doen vandaag: 
  • Werken aan paragraaf 3.1 & 3.2.                    (45 min) 


Lesdoelen. Wat heb je aan het einde van deze les geleerd. 
  1.  Je kunt uitleggen wat sparen is en je kunt drie spaarmotieven benoemen en toepassen op een voorbeeld. 
  2. Je kunt rekenen met enkelvoudige en samengestelde rente. 
  3. Je kunt reële rente berekenen. 
  4. Je kent verschillende motieven om geld te lenen. 
  5. Je kunt de kredietkosten bij een lening berekenen. 

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Werken aan paragraaf 3.1 en 3.2. 
Volg de stappen hieronder
  1. Lees blz. 77 berekenen reële rente. Vul daarna de vraag in die in de lessonup gegeven is. Maak aansluitend opdracht 14 & 15 op blz. 77.  
  2. Lees op blz. 78  & 79 de blauwe theoriestukken. Maak een kleine samenvatting over welke leenmotieven er zijn, wat een krediet is en wat kredietkosten zijn en af aflossing betekent. 
  3. Maak op blz. 78 & 79, opdracht 16, & 19. 

Laat je antwoorden door mij controleren! 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Leg de begrippen nominale rente en reële rente uit in eigen woorden.

Slide 17 - Open question

This item has no instructions

3HV Pincode H2
3HV Pincode H3. Omgaan met geld. 
04
Wat gaan we doen vandaag: 
  • Uitleg & oefenen met paragraaf 1 en 2                      (45 min) 


Lesdoelen. Wat heb je aan het einde van deze les geleerd. 
  1.  Je kunt uitleggen wat sparen is en je kunt drie spaarmotieven benoemen en toepassen op een voorbeeld. 
  2. Je kunt rekenen met enkelvoudige, samengestelde en reële rente. 
  3. Je kent verschillende motieven om geld te lenen. 
  4. Je kunt de kredietkosten bij een lening berekenen. 

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Krista spaart elke maand een bedrag voor als er iets kapot gaat.

Welk spaarmotief heeft zij?
A
Sparen voor een doel
B
Sparen uit voorzorg
C
Sparen voor rente

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Gert ontvang 2% rente op zijn spaargeld. De inflatie in het land in dat jaar is 3.2%. Wat is de reële rente van Gert?
A
1.2%
B
2%
C
-1.2%
D
5.2%

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Amber heeft een spaarrekening waarop zij € 5575,- heeft.
Ze ontvang per jaar 1.78% rente.

Bereken de enkelvoudige rente na een jaar.

Slide 21 - Open question

5575 x 1,078 = 6009.58 - 5575 = 434.85 
Pascal heeft op haar rekening € 28.900
Ze ontvang 2.44% samengestelde rente.

Bereken hoeveel er op de rekening van pascal na 12 jaar staat.

Slide 22 - Open question

38595.15 
Sjoerd heeft een banksaldo van € 54.000
Hij ontvangt 1.8% rente per jaar.

Bereken hoeveel rente en banksaldo Sjoerd heeft na 1 jaar.

Slide 23 - Open question

54972 saldo. 972,- rente 
Je sluit een lening af voor € 7500,-
Je betaalt in 30 termijnen van € 255,-

Bereken de kredietkosten voor deze lening.

Slide 24 - Open question

150,- kredietkosten 
Sjoerd heeft een banksaldo van € 54.000
Hij ontvangt 1.8% rente per jaar.
Sjoerd wil graag naar 70.000,- Hoeveel jaar moet hij sparen? Laat je berekening zien.

Slide 25 - Open question

15 jaar. 
Bereken de reële rente in 2021.

Kies het juiste antwoord

Je kunt op de afbeelding klikken.
A
-2%
B
-10%
C
2%
D
1%

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Pak je boek blz. 82
Noem drie soorten leningen?

Slide 27 - Open question

This item has no instructions

Nog even oefenen

Maak paragraaf 3.2 opdracht 20. 

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

3HV Pincode H2
3HV Pincode H3. Omgaan met geld. 
05
Wat gaan we doen vandaag: 
  • Uitleg over verzekeringen                     (25 min) 
  • Uitleg over risico berekenen                  (25 min) 

Lesdoelen. Wat heb je aan het einde van deze les geleerd. 
  1. Je kunt uitleggen wat een verzekering is. 
  2. Je kunt verzekeringskosten berekenen 
  3. Je kunt de risiscokosten bij een verzekering berekenen. 
  4. Je kunt uitleggen bij uit welke onderdelen een verzekering bestaat. 
  5. Je kunt het risico bij een verzekering berekenen. 

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Slide 30 - Video

This item has no instructions

Uitleg paragraaf 3.3 blz. 84 t/m 89 
  • Een verzekering bestaat uit meerdere onderdelen 
  1. Premie: maandelijks bedrag wat je betaalt. 
  2. Poliskosten. Kosten die de verzekeraar maakt voor jouw verzekering. Alleen het eerste jaar! 
  3. Assurantiebelasting 21%   
  • Voorbeeld op het bord
  • Maak opdracht 31 & 32. 


Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Jochem sluit een verzekering af. Hij betaalt een premie van € 75,- per maand. De poliskosten bedragen € 7.50
Bereken de verzekeringskosten per maand inclusief belasting van 21%.Geef je berekening!

Slide 32 - Open question

€ 99,83 
Uitleg paragraaf 3.3 blz. 86 t/m 88. 
  • Risico berekenen 

  • Door het risico in geld uit te drukken kan je bekijken of het verstandig is een verzekering te nemen. 
  • (verplichte) solidariteit. Wanneer iedereen gezamenlijk meebetaalt aan een verzekering zoals
  1. Zorgverzekering. Basisverzekering verplicht voor iedereen. 
  2. Inboedelverzekering. Verzekering voor de spullen in je huis. Verplicht. 
  3. WA verzekering. Verzekering die schade door jou toedoen aan anderen verzekert. 
  • Eigen risisco. Eerste deel van de schade die je zelf moet betalen. 
  • Maak paragraaf 3.3. opdracht 34, 35 & 40 

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

3HV Pincode H2
3HV Pincode H3. Omgaan met geld. 
06/07
Wat gaan we doen vandaag: 
  • Herhaling H3 en rekenen met procenten  (45 min) 

Lesdoelen. In de komende 2 lessen werk je aan: 
  1. Het rekenen met enkelvoudige en samengestelde rente 
  2. Een groeifactor leren bepalen 
  3. De reële rente berekenen 
  4. Oefenen met kredietkosten bij een lening 
  5. Verzekeringskosten berekenen 
  6. Risico berekenen 
  7. Het rekenen met procenten. 

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Groeifactor en enkelvoudige rente 
Enkelvoudige rente 
Rente over je startbedrag. 
Elk jaar een vast bedrag aan rente erbij. 

  • Voorbeeldopgave Jeroen zet €2100,- op een spaarrekening. Hij krijgt 1.5% rente per jaar. Geef antwoord op de vragen. 
  1. Wat is de groeifactor? 
  2. Wat is het eindsaldo van Jeroen na het 1ste jaar?
  3. Hoeveel rente krijgt Jeroen in het 2de jaar? 
  4. Wat is het eindsaldo van Jeroen na 2 jaar? 


Slide 35 - Slide

1 = 1.015 
2 = 2100 x 1.015 = € 2131,50 (€ 31.50 rente) 
3= € 31.50 
4 = 2131,50 + € 31.50 + € 2163,- 
Groeifactor en samengestelde rente. 
Oefen met de volgende opgaven. 










Slide 36 - Slide

a: 1000 x 1.06^8 = € 1593,85
b: 1000 x 1.06^1,5 = € 1091.34 
c: 5000 x 1.025^30 = € 10487,84
d: 2600 x 1.003^53 = € 3047,35

Je sluit een lening af voor € 6300,-
Je betaalt in 25 termijnen van € 275,-

Bereken de kredietkosten voor deze lening.

Slide 37 - Open question

€ 575 kredietkosten 
Enkelvoudige rente berekenen.
Mario heeft net een bedrag van € 5200,- op zijn rekening gezet. Er stond al € 22.500 op. Hij krijgt 1.57 % rente over het hele bedrag. Bereken zijn banksaldo na 1 jaar.

Slide 38 - Open question

€ 5200 + € 22500 = € 27700 x 1.057 = € 29278.90
Nicole sluit een verzekering af voor haar auto.
De premie bedraagt € 65 per maand. De poliskosten bedragen € 5,- per jaar. Er komt 21% assurantiebelasting bij.
Bereken de premie die Nicole moet betalen per maand

Slide 39 - Open question

12 x €65 = € 780 + € 5,- = € 785,- 
€ 785 x 1.21 = € 949.85 : 12 = 79,15 per maand 
Rekenen met procenten 
Verschillende manieren van berekenen: 

  1. Een getal berekenen met procenten. Formule: getal : 100 x gevraagd percentage 
  2. Een deel van geheel in procenten. Formule : deel : geheel x 100 
  3. Procuentuele verandering, stijging of daling. Formule: (nieuw-oud):oud x 100 

  • Werkblad rekenen met procenten. Klaar? Kom ze aan mij laten zien. 
  • Klaar en opdrachten getoond?

timer
15:00

Slide 40 - Slide

This item has no instructions

timer
3:00

Slide 41 - Slide

1 = - 80% dus 80 procent korting (Nieuw-oud):oud x 100 
2 = € 136.50 oude prijs. Deel : geheel x 100
3: - 70% dus 70% korting (Nieuw-oud):oud x 100