Spelling - blok 3 - 3.8 en 3.9

 Spelling meervoud zelfstandige naamwoorden
Bij de meeste woorden schrijf je en of s achter het enkelvoud
Soms moet je een klinker weghalen of een medeklinker toevoegen.
Als er een verkeerde uitspraak kan ontstaan, schrijf je ’s, afkortingen en woorden eindigend op: a, o, u, i, y.
Als het woord eindigt op ee, schrijf je ën erachter.
Een f wordt vaak een v. Een s wordt vaak een z.
Soms bestaat alleen enkelvoud (rijst), soms alleen meervoud (chips).
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

 Spelling meervoud zelfstandige naamwoorden
Bij de meeste woorden schrijf je en of s achter het enkelvoud
Soms moet je een klinker weghalen of een medeklinker toevoegen.
Als er een verkeerde uitspraak kan ontstaan, schrijf je ’s, afkortingen en woorden eindigend op: a, o, u, i, y.
Als het woord eindigt op ee, schrijf je ën erachter.
Een f wordt vaak een v. Een s wordt vaak een z.
Soms bestaat alleen enkelvoud (rijst), soms alleen meervoud (chips).

Slide 1 - Slide

Als een woord eindigt op een: a, i, o, u of y, dan schrijf je 's. 
oma's
kiwi's
foto's
accu's 
hobby's 
(maar: deejays)

Slide 2 - Slide

Hieronder staan drie woorden. Kies bij elk zelfstandig naamwoord de juiste spelling van het meervoud.
1 Een bedrijf, twee …

A
bedrijven
B
bedrijfen
C
bedrijffen

Slide 3 - Quiz

Welk zelfstandig naamwoord staat in het meervoud?
A
politie
B
liefde
C
goederen
D
postzegel

Slide 4 - Quiz

Van welk zelfstandig naamwoord bestaat geen meervoud?
A
Paprika
B
Komkommer
C
Sla
D
Aardbei

Slide 5 - Quiz

Van welk zelfstandig naamwoord kun je 2 meervoudsvormen schrijven?
A
Kerk
B
School
C
Sportclub
D
Museum

Slide 6 - Quiz

Van welk zelfstandig naamwoord bestaat alleen een meervoudsvorm?
A
Hersenen
B
Borden
C
Tafels
D
Accu's

Slide 7 - Quiz

Verkleinwoorden
Bij de meeste woorden voeg je -je, -tje of -pje toe.
Bij woorden die eindigen op -ng schrijf je -nkje of -etje.
Bij woorden die eindigen op een lange klank, verdubbel je de klinker.
Bij woorden die eindigen op een -i, schrijf je ietje.
Bij woorden die eindigen op -y na een medeklinker, schrijf jetje (met apostrof).
Bij afkortingen met letters of cijfers schrijf je ’je of tje (met apostrof).

Slide 8 - Slide

Wat is een verkleinwoord?
A
het baby-bed
B
het poesje
C
de kitten
D
het kuiken

Slide 9 - Quiz

Wat is een verkleinwoord?
A
Het baby-vliegtuig
B
Het kadetje
C
Het kalf
D
Het veulen

Slide 10 - Quiz

Verkleinwoorden
A
woningkje
B
woninkje

Slide 11 - Quiz

Verkleinwoorden
A
laatje
B
ladetje

Slide 12 - Quiz

Verkleinwoorden
A
skietje
B
ski'tje

Slide 13 - Quiz

Verkleinwoord.
Wat is het verkleinwoord van de kano?
A
Kano'tje
B
Kanotje
C
Kanoo'tje
D
Kanootje

Slide 14 - Quiz

Maken Spelling - blok 3 - les 3.8 en 3.9 (niet de +)
timer
10:00
Klaar?

  • ander huiswerk

Slide 15 - Slide

Verkleinwoord met PJE
Verkleinwoord met TJE
Boom
Telefoon
Broer
riem
Film
Raam
Tafel
Haar

Slide 16 - Drag question

zelfstandig naamwoord
(enkelvoud)
zelfstandig naamwoord
(meervoud)
zelfstandig naamwoord
(verkleinwoord)
hond
honden
hondje
werk
werkje
tafels
foutje
toetsen
liefde

Slide 17 - Drag question

zelfstandig naamwoord
(enkelvoud)
zelfstandig naamwoord
(meervoud)
zelfstandig naamwoord
(verkleinwoord)
hond
honden
hondje
werk
werkje
tafels
foutje
toetsen
liefde

Slide 18 - Drag question