Les 7 Voorlichtingsplan schrijven

Een voorlichtingsplan schrijven

1 / 48
next
Slide 1: Slide
New lesson editorVerzorgendeMBOStudiejaar 2

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 75 min
Report this lesson

Items in this lesson

Een voorlichtingsplan schrijven

Open de les met het idee dat goede voorlichting niet spontaan ontstaat, maar stap voor stap wordt voorbereid. Koppel dit aan de praktijk van Verzorgende IG: voorlichting moet aansluiten bij de cliënt en uitvoerbaar zijn in de zorgsituatie.

Lesdoel

Ik kan een voorlichtingsplan opstellen in 6 stappen dat past bij de cliënt en goed te evalueren is.

This item has no instructions

This item has no instructions

Welke woorden horen voor jou bij een goed voorlichtingsplan?

Gebruik de opbrengst om voorkennis op te halen. Vraag kort door op woorden als doel, cliënt, uitleg, planning of evaluatie.

Stap 1: de voorlichtingsvraag

De eerste stap is inventariseren wat de voorlichtingsvraag precies is.


Je formuleert:

  • het probleem

  • het probleem in vragende vorm

  • het onderwerp waarover je voorlichting gaat geven


Deze stap bepaalt de richting van je hele voorlichtingsplan.

Benadruk dat studenten hier nog geen oplossingen of doelen formuleren. Eerst moet helder zijn waar de voorlichting over gaat.

Zichtbaar gedrag beschrijven

Bij het formuleren van het probleem beschrijf je alleen zichtbaar gedrag.


  • noteer wat je ziet of hoort

  • vermijd aannames

  • koppel geen eigen interpretatie aan gedrag


Zo blijft je probleemomschrijving objectief.

Geef eventueel een mondeling voorbeeld: niet 'de cliënt is ongemotiveerd', maar 'de cliënt stelt vragen niet en volgt adviezen niet op'. Daarmee maak je het verschil tussen observatie en interpretatie duidelijk.

Van probleem naar vraag

Een goede voorlichtingsvraag sluit aan op het gedrag dat je hebt gezien.


Voorbeeld:

  • probleem: de cliënt gebruikt de inhalator niet op de juiste manier

  • vragende vorm: Hoe kan de cliënt de inhalator op de juiste manier gebruiken?


De voorlichting richt zich daarna op dit onderwerp.

Houd het voorbeeld dicht bij de zorgpraktijk van niveau 3-studenten, zoals medicatie, voeding, wondzorg of incontinentiemateriaal.

Waarom stap 1 zo belangrijk is

Als de voorlichtingsvraag niet scherp is:

  • worden doelen snel vaag

  • past de inhoud minder goed bij de cliënt

  • wordt evalueren moeilijk


Een duidelijke start maakt de volgende stappen makkelijker en concreter.

This item has no instructions

Welke formulering past het best bij stap 1?

A

Cliënt is lui

B

Cliënt oogt boos

C

Cliënt gebruikt inhalator fout

D

Cliënt wil niet leren

Correct is de observatie van zichtbaar gedrag. De andere opties zijn interpretaties of aannames.

Maak de stappen van stap 1 compleet

In stap 1 formuleer je eerst het probleem. Daarna zet je dit in vragende vorm. Daarbij beschrijf je alleen zichtbaar gedrag en geen eigen uitleg.

probleem
vragende vorm
zichtbaar gedrag
doel
opsomming
houding
evaluatie

Laat studenten letten op het verschil tussen probleem, vraagvorm en objectieve observatie.

Stap 2: kenmerken van de cliënt

In stap 2 verzamel je gegevens over de cliënt.


Je maakt hierbij een opsomming en geen uitgebreide beschrijving.


De gegevens helpen je om voorlichting te kiezen die past bij deze ene cliënt.

Benadruk dat deze inventarisatie functioneel is: alles wat je noteert moet helpen om de voorlichting beter af te stemmen.

Welke gegevens noteer je?

  • taalgebruik

  • religie of cultuur

  • wat de cliënt al weet

  • houding tegenover het gezondheidsprobleem

  • houding tegenover gedragsverandering

Persoonlijke kenmerken

Aansluiting op de cliënt

  • leeftijd

  • sekse

  • burgerlijke staat

  • beroep

  • opleidingsniveau

  • vrijetijdsbesteding

Laat zien dat deze punten kort en overzichtelijk genoteerd worden. Het gaat om bruikbare kenmerken, niet om een lang levensverhaal.

Wat deed de cliënt al?

Neem ook op:

  • wat de cliënt tot nu toe heeft gedaan aan het gezondheidsprobleem

  • welke ervaringen daarbij horen

  • wat wel of niet lukte


Zo voorkom je dat je voorlichting geeft die niet aansluit op de werkelijkheid.

Maak duidelijk dat eerdere pogingen belangrijk zijn. Een cliënt die al iets geprobeerd heeft, heeft andere voorlichting nodig dan een cliënt die nog geen stappen heeft gezet.

Waarom deze inventarisatie nodig is

De kenmerken van de cliënt bepalen mede:

  • welke uitleg begrijpelijk is

  • welk tempo passend is

  • welke voorbeelden herkenbaar zijn

  • welke methode en middelen bruikbaar zijn


Goede voorlichting is altijd afgestemd op de cliënt.

This item has no instructions

Wat noteer je in stap 2?

A

Alleen diagnoses

B

Een lange beschrijving

C

Alleen familiegegevens

D

Een korte opsomming

Stap 2 vraagt om bruikbare cliëntkenmerken in een opsomming, niet om een uitgebreid verhaal.

Waarom is weten wat de cliënt al geprobeerd heeft belangrijk?

Bespreek dat antwoorden kunnen gaan over taalgebruik, voorkennis, cultuur, houding tegenover verandering en wat al geprobeerd is. Koppel terug aan passende afstemming van de voorlichting.

Stap 3: voorlichtingsdoelen

In stap 3 beschrijf je wat je in de toekomst wilt bereiken.


Een doel gaat dus niet over hoe de situatie nu is, maar over hoe die moet worden na de voorlichting.


Formuleer doelen zo concreet mogelijk.

Leg nadruk op toekomstgericht formuleren. Studenten schrijven vaak de beginsituatie op als doel.

Drie soorten doelen

Begin elk doel met:


de cliënt kan aangeven dat ...

  • kennisdoel

  • houdingsdoel

  • gedragsdoel

Wat moet je opnemen?

Vaste startzin

Vertel dat deze vaste formulering helpt om doelen eenduidig en toetsbaar te maken.

Kennis-, houding- en gedragsdoel

  • Kennisdoel: gaat over wat de cliënt moet weten of begrijpen

  • Houdingsdoel: gaat over houding tegenover het probleem of verandering

  • Gedragsdoel: gaat over gedrag dat de cliënt moet laten zien


Bij een houdingsdoel passen woorden als acceptatie, motivatie, positief of negatief.

Maak onderscheid helder: weten, willen en doen. Dat helpt studenten later ook bij evalueren.

Eisen aan een goed doel

Een goed doel:

  • is toekomstgericht

  • is concreet geformuleerd

  • noemt binnen welke tijd het bereikt moet zijn

  • is haalbaar voor de cliënt

  • is te evalueren


Vage doelen zijn lastig uit te voeren en te beoordelen.

Je kunt mondeling koppelen aan bekende principes van concreet formuleren, zonder extra modellen te introduceren als die niet in de opdracht staan.

Voorbeeld van een doel

Voorbeeld:


De cliënt kan binnen 1 week aangeven dat regelmatig drinken belangrijk is om obstipatie te helpen voorkomen, staat positief tegenover het aanpassen van het drinkpatroon en drinkt dagelijks 1,5 liter verdeeld over de dag.


Dit doel bevat kennis, houding, gedrag en tijd.

Wijs aan waar precies kennis, houding, gedrag en tijd in het voorbeeld terugkomen.

Welke drie soorten doelen horen bij stap 3?

A

Kennis, houding, gedrag

B

Start, kern, slot

C

Mondeling, schriftelijk, beeld

D

Leeftijd, cultuur, beroep

Distractors komen uit andere stappen van het plan: opbouw van inhoud, methoden en cliëntkenmerken.

Vul de vaste onderdelen van een doel in

Een goed doel is gericht op de toekomst en begint met de zin de cliënt kan aangeven dat. In het doel noem je ook de tijd waarbinnen het bereikt moet zijn.

toekomst
de cliënt kan aangeven dat
tijd
beschrijving
de zorgverlener vertelt
methode
vraag

Benadruk dat doelen concreet, haalbaar en evalueerbaar moeten zijn.

Stap 4: inhoud, methoden en middelen

In deze stap bepaal je:

  • wat je gaat bespreken

  • hoe je de voorlichting geeft

  • welke hulpmiddelen je gebruikt


Alles moet passen bij de doelen én bij de cliënt.

This item has no instructions

De inhoud van de voorlichting

Beschrijf in korte omschrijvingen en steekwoorden:

  • hoe je het contact begint

  • welke onderwerpen aan bod komen

  • welke doelen je bespreekt

  • in welke volgorde de onderwerpen komen


De inhoud sluit aan bij behoeften, voorkennis, begrip en belevingswereld van de cliënt.

Benadruk dat de student zelf ook voldoende kennis over het onderwerp moet hebben om goede voorlichting te kunnen geven.

Voorlichtingsmethoden

Keuze hangt af van

Drie methoden

  1. mondelinge voorlichting

  2. schriftelijke voorlichting

  3. audiovisuele voorlichting

  • de cliënt

  • het onderwerp

  • de doelen

  • de situatie waarin je voorlichting geeft

Licht toe dat methoden gaan over de manier van aanbieden, niet over het concrete materiaal dat je inzet.

Voorlichtingsmiddelen

  1. schriftelijk materiaal:

folders, brochures, informatieboekjes

2.audiovisueel materiaal:

video, foto's, tekeningen, cd-roms

Schriftelijk en audiovisueel

  1. demonstratiemateriaal:

modellen, hulpmiddelen, spuitmaterialen, incontinentiematerialen, prothesen

2.spelmateriaal:

kwartet spel, computerspelletjes, dokterssetje

Demonstratie en spel

Maak onderscheid tussen methode en middel expliciet. Bijvoorbeeld: mondelinge voorlichting met demonstratiemateriaal.

Passend kiezen

Een goede keuze houdt rekening met:

  • behoeften van de cliënt

  • voorkennis van de cliënt

  • begrip en taalniveau

  • belevingswereld


Niet elk middel past bij elke cliënt.

Geef zo nodig een praktijkvoorbeeld, zoals een folder die minder geschikt is bij laaggeletterdheid.

Wat is een voorlichtingsmethode?

A

Een brochure

B

Een hulpmiddel

C

Een manier van aanbieden

D

Een evaluatieformulier

Laat het verschil horen tussen methode (hoe) en middel (waarmee).

Welk middel past vaak goed bij het voordoen van een handeling?

1

Folder

2

Video

3

Demonstratiemateriaal

4

Spelmateriaal

This item has no instructions

Waar let je op bij het kiezen van een middel?

Verwachte elementen: keuze afstemmen op behoeften, voorkennis, taalniveau en belevingswereld van de cliënt. Een praktisch voorbeeld maakt het antwoord sterker.

Stap 5: uitvoeren van de voorlichting

Na de voorbereiding denk je na over de organisatie.


De uitvoering van een voorlichtingsplan staat of valt vaak met een goede organisatie.


Daarom werk je uit wie wat doet, waar dit gebeurt en wanneer.

This item has no instructions

Praktische organisatie

Beantwoord in je plan:

  • waar geef je de voorlichting?

  • wanneer geef je de voorlichting?

  • wie geeft welke voorlichting?


Hiermee maak je de uitvoering duidelijk en uitvoerbaar.

Laat studenten beseffen dat goede inhoud zonder praktische organisatie vaak niet goed uitgevoerd wordt.

De rol van de voorlichter

Controleer ook of jij als voorlichter beschikt over:

  • de juiste kennis

  • een passende houding

  • de benodigde vaardigheden


De kwaliteit van de voorlichting hangt ook af van degene die haar geeft.

Je kunt hier koppelen aan beroepshouding: rustig uitleggen, aansluiten bij de cliënt, controleren of de boodschap begrepen is.

Continuïteit en coördinatie

Bij de uitvoering let je ook op:

  • continuïteit: hoe zorg je voor goede voortgang?

  • coördinatie: hoe stem je voorlichters en hun uitleg op elkaar af?


Zo voorkom je gaten, herhaling of tegenstrijdige informatie.

Leg continuïteit uit als doorgaan op eerdere contacten, en coördinatie als afstemming tussen collega's.

Waar gaat continuïteit over?

A

Taakverdeling

B

Goede voortgang

C

Doelen meten

D

Middelen kiezen

Continuïteit = voorlichting die goed doorgaat en vervolgd wordt. Taakverdeling en afstemming horen meer bij coördinatie.

Vul de organisatie van stap 5 aan

Bij de uitvoering werk je uit waar en wanneer de voorlichting plaatsvindt. Je kijkt ook wie wat doet en of jij als voorlichter de juiste vaardigheden hebt.

waar
wanneer
vaardigheden
waarom
productevaluatie
spelmateriaal
houdingdoel

Deze invuloefening checkt de praktische organisatie van stap 5.

Stap 6: evalueren van de voorlichting

In de laatste stap kijk je terug op de voorlichting.


Je voert twee soorten evaluatie uit:

  • productevaluatie

  • procesevaluatie


Zo beoordeel je zowel het effect als het verloop.

This item has no instructions

Productevaluatie

Je gaat na of de voorlichting effect heeft gehad en of de doelen zijn bereikt.

  • vragen stellen aan de cliënt of naasten

  • mondeling of schriftelijk

  • geleerde vaardigheden of gedrag observeren

  • rapportage nalezen

Hoe kun je evalueren?

Waar kijk je naar?

Koppel dit terug aan stap 3: doelen moeten evaluabel zijn, anders kun je productevaluatie niet goed uitvoeren.

Procesevaluatie

Bij procesevaluatie kijk je naar het proces dat je met de cliënt hebt doorlopen.


Je evalueert ook:

  • het samenwerkingsproces met collega's

  • hoe de voorlichting is verlopen

  • wat een volgende keer beter kan

Benadruk dat procesevaluatie niet alleen over de cliënt gaat, maar ook over samenwerking en werkwijze.

Van stap 1 naar stap 6

Een goed voorlichtingsplan bouwt logisch op:


voorlichtingsvraag → kenmerken van de cliënt → doelen → inhoud, methoden en middelen → uitvoering → evaluatie


Elke stap hangt samen met de vorige stap.

Gebruik deze slide als samenvattend overzicht van de hele les. Laat zien dat een zwakke stap vroeg in het plan later problemen geeft.

Wat hoort bij productevaluatie?

A

Samenwerking beoordelen

B

Doelen bereikt nagaan

C

Methode kiezen

D

Cliëntkenmerken opsommen

Productevaluatie kijkt naar effect en doelbereik; procesevaluatie naar verloop en samenwerking.

Wat is het verschil tussen product- en procesevaluatie?

Bespreek dat een logisch antwoord beide evaluaties onderscheidt: product = effect/doelen, proces = verloop/samenwerking/verbeterpunten.

Wat heb jij vandaag geleerd over een voorlichtingsplan?

Laat studenten één concrete opbrengst noemen, bijvoorbeeld zichtbaar gedrag formuleren, doelen schrijven of methode en middel onderscheiden.

Welk onderdeel hielp jou het meest om dit te begrijpen?

Stimuleer reflectie op wat hielp: voorbeelden, stappenoverzicht, invuloefeningen, klassengesprek.

Welke stap vind jij nog het lastigst?

Gebruik antwoorden om te bepalen welke stap extra herhaling nodig heeft, bijvoorbeeld doelen formuleren of evalueren.

Begrippenlijst

voorlichtingsvraag - de vraag die duidelijk maakt waarover je voorlichting gaat geven

zichtbaar gedrag - gedrag dat je echt kunt zien of horen zonder eigen uitleg toe te voegen

cliëntkenmerken - gegevens over de cliënt die helpen om de voorlichting af te stemmen

kennisdoel - doel over wat de cliënt moet weten of begrijpen

houdingsdoel - doel over de houding van de cliënt tegenover het probleem of verandering

gedragsdoel - doel over het gedrag dat de cliënt moet laten zien

voorlichtingsmethode - de manier waarop je de voorlichting aanbiedt

This item has no instructions

Begrippenlijst

voorlichtingsmiddel - het materiaal dat je gebruikt bij de voorlichting

continuïteit - zorgen dat de voorlichting goed doorgaat en wordt vervolgd

coördinatie - goede afstemming tussen voorlichters en hun uitleg

productevaluatie - nagaan of de voorlichting effect heeft gehad en doelen zijn bereikt

procesevaluatie - terugkijken op het verloop van de voorlichting en de samenwerking

This item has no instructions