Toets 06 Lesvoorbereiding

Wat is het doel van een tussenmeting?
A
Om vast te stellen of de behandelde leerstof is begrepen.
B
Om de voortgang van de les te bepalen.
C
Om de feitelijke beginsituatie vast te stellen.
1 / 60
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Wat is het doel van een tussenmeting?
A
Om vast te stellen of de behandelde leerstof is begrepen.
B
Om de voortgang van de les te bepalen.
C
Om de feitelijke beginsituatie vast te stellen.

Slide 1 - Quiz

Wanneer stel je verwerkingsvragen?
A
Bij de tussenmeting.
B
Om het aanvangsniveau vast te stellen.
C
Bij de intest.

Slide 2 - Quiz

Wat voor soort vraag is een matchingvraag?
A
Een open vraag.
B
Een gesloten vraag.
C
Een aanvulvraag.

Slide 3 - Quiz

De bediening van het voertuig heeft de leerling reeds afgerond. Op dit moment vraag je aan de leerling hoe hier de voorrang is geregeld. De leerling schakelt mis bij het terugschakelen van 3 naar 2. Op welk beheersingsniveau bevindt de leerling zich?
A
Half- geautomatiseerd.
B
Geautomatiseerd.
C
Cognitief beheersingsniveau.

Slide 4 - Quiz

Tijdens de lesvoorbereiding maak je een verdeling in het aanleren van globale rijtaken en het aanleren van deeltaken. Bij welke leerling zou je in verhoudingsgewijs meer bezig zijn met aanleren van de deeltaken?
A
Een beginnende leerling.
B
Een gevorderde leerling.
C
Een zelfstadige leerling.

Slide 5 - Quiz

Wat is het doel van feedback geven?
A
Om fouten op te sporen.
B
De leerling krijgt inzicht in zijn leerresultaten, waardoor de gewenste resultaten worden versterkt en ongewenste resultaten worden afgezwakt.
C
Achterhalen waar in het proces een fout is opgetreden, de oorzaak ervan en wat er aan is te doen.

Slide 6 - Quiz

Wanneer worden de kenmerken van
de leerling vastgesteld?
A
Halverwege de opleiding.
B
Tijdens de intest.
C
Na een aantal lessen.

Slide 7 - Quiz

Wat ga je als laatste oefenen in de rijopleiding?
A
Inhalen.
B
Kruispunten.
C
Invoegen.

Slide 8 - Quiz

Een leerling maakt een fout in de uitvoering van een rijtaak. De leerling raakt niet uit zijn doen en kijkt zonder blikken of blozen de rijinstructeur aan. Waarom raakt de leerling niet uit zijn doen?
A
Hij wist van zichzelf dat fouten maken bij het leerproces hoorde.
B
Hij zag de fout al aankomen.
C
De rijinstructeur had van te voren gezegd dat fouten maken bij het leerproces hoort maar wel binnen een veiligheidsmarge.

Slide 9 - Quiz

Wanneer gebruikt een rijinstructeur het model didactische analyse?
A
Bij de lesvoorbereiding en lesevaluatie.
B
Bij de lesvoorbereiding en lesrealisatie.
C
Bij de lesvoorbereiding, lesuitvoering en lesevaluatie.

Slide 10 - Quiz

Wat is het nut van het bepalen van het begingedrag van een leerling?
A
Aansluiten bij de kennis en vaardigheden van een leerling.
B
Om de doelstelling over te kunnen slaan.
C
Door te gaan met het lesdoel welke hij bij de voorbereiding reeds had vastgesteld.

Slide 11 - Quiz

Wat wordt bedoelt met een totale rijtaak?
A
Rijden van plaats A aan naar plaats B.
B
Uitvoeren van rijtaak bijvoorbeeld invoegen, keren, oversteken van kruispunten.
C
Rijtaken ordenen van makkelijk naar moeilijk.

Slide 12 - Quiz


De rijinstructeur is met een gemiddelde leerling aan het lessen. Hij gaat deze leerling vandaag 
afslaan naar rechts leren. Welke verkeerssituatie moet de rijinstructeur kiezen?
A
B
C
A
Situatie A.
B
Situatie B.
C
Situatie C.

Slide 13 - Quiz

Vandaag moet een rijinstructeur met een zenuwachtige leerling lessen die zijn eerste rijles heeft. Hoe kan hij didactisch het beste handelen?
A
De instructeur laat de leerling zelfstandig rijden naar een oefenlocatie.
B
De instructeur haalt de leerling op en rijdt zelf naar een oefenlocatie zodat de leerling kan ontspannen.
C
De instructeur laat de leerling rijden met begeleiding.

Slide 14 - Quiz

De leerling bevindt zich in de eindfase van de rijopleiding. De rijinstructeur wil vaststellen of de leerling de bocht achteruitrijden goed beheerst. Welke locatie dient hij te kiezen?
A
Een industrieterrein.
B
Een normale weg met een zijstraat alsmede een fietsstrook en een fietser op de fietsstrook.
C
Een volledig kruispunt.

Slide 15 - Quiz

Een rijinstructeur wil bepalen hoeveel lessen iemand nodig heeft. Hoe kan hij dat vaststellen?
A
Aan de hand van leeftijd en geslacht.
B
Aan de hand van de motivatie van een leerling.
C
Aan de hand van wat de leerling al kan.

Slide 16 - Quiz


De rijinstructeur is een les "volgafstand" aan het voorbereiden. Welke 
route dient hij te kiezen?
A
B
C
A
Situatie A.
B
Situatie B.
C
Situatie C.

Slide 17 - Quiz


De leerling bevindt zich in de laatste fase van de rijopleiding. De rijinstructeur gaat vandaag invoegen oefenen met de leerling. Welke locatie is het meest geschikt?
C
B
A
A
Situatie A.
B
Situatie B.
C
Situatie C.

Slide 18 - Quiz

U wilt de leerling het sturen en koppelen leren. Hoe kunt u dit het beste doen bij een wegversmalling?
A
U laat de leerling doorrijden en bij de versmalling gas verminderen.
B
U laat de leerling vlak voor de versmallingen steeds stoppen en weer wegrijden.
C
U laat de leerling deze weg 2 maal heen en weer rijden.

Slide 19 - Quiz

Tijdens de les ziet de leerling dat het brandstoflampje brandt en zegt:
"De tank is bijna leeg." Wat doet u?
A
U gaat meteen tanken.
B
U rondt deze les af en gaat daarna tanken.
C
Voordat de andere les begint gaat u tanken.

Slide 20 - Quiz

Wanneer kunt u de leerling het beste vertellen wat hij in deze les gaat doen, om de les zo efficient mogelijk te laten verlopen?
A
Tijdens de les.
B
Aan het begin van de les.
C
Na de uitleg van de les.

Slide 21 - Quiz

U rijdt hier met een leerling die zich bevindt in de fase EVS, is deze locatie geschikt voor deze leerling?
A
Deze is juist geschikt voor de leerling.
B
Deze is te makkelijk voor de leerling.
C
Deze is te moeilijk voor de leerling.

Slide 22 - Quiz

De leerling voert alles uit op aanwijzingen van de rijinstructeur, behalve het kijken. In welke fase van de mentorfase bevindt de leerling zich?
A
DMMM.
B
DOMA.
C
DOA.

Slide 23 - Quiz

In welk geval moet de leerling de
kennis zelf produceren?
A
In geval van oefenen in complexe situaties.
B
In geval van oefenen in eenvoudige verkeerssituaties.
C
In geval van voertuig bediening.

Slide 24 - Quiz

Wat doet de instructeur voordat hij
het lesdoel bekend maakt?
A
Beginsituatie vaststellen en het aanvangsniveau bepalen.
B
Beginsituatie vaststellen en de leerstof motiveren.
C
Productevaluatie en procesevaluatie houden.

Slide 25 - Quiz

Je wilt met een leerling de hellingproef gaan oefenen. Wat is de vereiste beginsituatie?
A
Beheersing van het opschakelen.
B
Beheersing van het stoppen en wegrijden op een vlakke weg.
C
Beheersing van het terugschakelen.

Slide 26 - Quiz

Wanneer is er sprake van H.O.D.M?
A
Als de rijinstructeur daartoe opdracht geeft.
B
Als de leerling op eigen initiatief hardop gaat denken.
C
In beide gevallen is er sprake van hard op denk methode.

Slide 27 - Quiz

Welke van de onderstaande mogelijkheden geeft een goed voorbeeld van nonverbale communicatie?
A
De rijinstructeur voert met een leerling een gesprek onder vier ogen.
B
Een leerling die niet bij de les betrokken is, wordt door middel van een nadrukkelijke blik in zijn richting en door middel van verandering van de intonatie door de rijinstructeur tot orde geroepen.
C
De rijinstructeur geeft een goedkeurend knikje en een compliment aan een leerling omdat deze tijdens de theorieles goed samenwerkt met de andere leerlingen.

Slide 28 - Quiz

Wat gebruikt de rijinstructeur als hij aangeeft in hoeverre de uitleg aansluit bij het geleerde in de voorgaande lessen?
A
Dan gebruikt hij daarbij de instructie vorderingenkaart.
B
Dan gebruikt hij een tekening.
C
Dit kan hij mondeling toelichten.

Slide 29 - Quiz

In de uitleg moet de rijinstructeur aangeven waar fouten bij het uitvoeren van een lesonderdeel kunnen ontstaan. Waar staat dit vermeld?
A
Onder de deelstappen.
B
Onder de kritieke punten.
C
In de Rijprocedure.

Slide 30 - Quiz

Hoe kan de rijinstructeur een negatief
faalangstige leerling motiveren?
A
Door een open doelstelling vast te stellen.
B
Door stap voor stap instructie toe te passen.
C
Door veel feedback te geven.

Slide 31 - Quiz

Wanneer gebruikt de rijinstructeur situatieschetsen?
A
Tijdens de uitvoering.
B
Tijdens de uitleg.
C
Na de demonstratie.

Slide 32 - Quiz

Een leerling zegt dat hij nooit huiswerk maakt.
Wat zeg je tegen deze leerling?
A
Je zegt: "als je het huiswerk maakt haal je meer uit de lessen en dan kunnen wij veel meer doen".
B
Je zegt: "als je het huiswerk maakt dan kan ik je examen sneller boeken".
C
Je zegt: "het is heel belangrijk dat je het huiswerk maakt".

Slide 33 - Quiz

Wat hoort bij doceervorm?
A
Doceren en demonstreren.
B
Onderwijsleergesprek en groepdiscussie.
C
Opdracht geven en zelfstudie.

Slide 34 - Quiz

Wat hoort bij gespreksvorm?
A
Doceren en demonstreren.
B
Onderwijsleergesprek en groepsdiscussie.
C
Opdracht geven en zelfstudie.

Slide 35 - Quiz

De rijinstructeur gebruikt de juiste didactische werkvormen. Waar is het gebruik het meest van afhankelijk?
A
De leertijd.
B
De leerstof.
C
De kenmerken van de leerling.

Slide 36 - Quiz

Wat is het doel van een intake gesprek?
A
Om de kenmerken van de leerling vast te stellen.
B
Zodat rijinstructeur als leerling weten wat zij aan elkaar hebben.
C
Om doelgericht les te kunnen geven.

Slide 37 - Quiz

Waarom houdt een rijinstructeur een
intake gesprek?
A
Om de kenmerken van de leerling vast te stellen.
B
Zodat zowel rijinstructeur als leerling weten wat zij aan elkaar hebben.
C
Om doelgericht les te kunnen geven.

Slide 38 - Quiz

Wat is de juiste volgorde? (mentorfase)
A
DMMM,DOMA,DOA,DZA.
B
DOA,DMMM,DOMA,DZA.
C
DMMM,DOA,DOMA,DZA

Slide 39 - Quiz

Welk van de onderstaande instructieonderdelen oefen je als laatste in de rijopleiding?
A
Besluitvaardig rijden.
B
Eenvoudige kruispunten.
C
Het naderen van een V.O.P.

Slide 40 - Quiz

De leerling krijgt tijdens de praktijklessen een toets over voertuigbeheersing. Welk soort vragen stelt de instructeur?
A
Open vragen.
B
Begripvragen.
C
Analysevragen.

Slide 41 - Quiz

Wat is het doel van het juist gebruik
van een lesplan?
A
Hierdoor voorkomt de instructeur dat hij onderdelen vergeet.
B
De instructeur heeft een goede leidraad voor een les zodat hij de leerling optimaal kan ondersteunen.
C
Hierop kan hij zien of het lesdoel al dan niet is gehaald.

Slide 42 - Quiz

Je wilt weten of een leerling het oversteken van een kruispunt begrijpt en je stelt hem een vraag.
Wat voor vraag kan je hem het beste stellen?
A
Een doelgerichte vraag.
B
Een open vraag.
C
Een gesloten vraag.

Slide 43 - Quiz

Je moet de foutgedraging aan de leerling vertellen. Hoe moet je dit vertellen?
A
De globale foutgedraging.
B
De specifieke foutgedraging en de gevolgen daarvan.
C
De kritieke punten en de gevolgen daarvan.

Slide 44 - Quiz

Je hebt te maken met een onzekere leerling.
Wat zou je in deze situatie het beste kunnen doen?
A
De leerling vertellen wat in de les wordt behandeld en in welke volgorde.
B
De leerling zelf laten vertellen wat in de les aan de orde komt en in welke volgorde.
C
Voor het oefenen van het nieuwe onderdeel, vragen stellen aan de leerling.

Slide 45 - Quiz

Wie moet bij een proefexamen de route bepalen?
A
De leerling bepaalt zelf de route.
B
De instructeur bepaalt de route.
C
De navigatie bepaalt de route.

Slide 46 - Quiz

Wat moet een rijinstructeur doen om de betrokkeneid van de cursisten tijdens een theoretische les zo groot mogelijk te maken?
A
Cursist gerichte vragen stellen.
B
Een docerende werkvorm toepassen.
C
Veel vragen stellen aan actieve cursisten.

Slide 47 - Quiz

Je hebt een nieuw instructieonderdeel aan de leerling aangeleerd. Aan het einde van de les zegt de leerling. "Ik weet niet wat ik met dit onderdeel straks moet". Wat heeft de rijinstructeur onjuist gedaan?
A
Geen praktijkgerichte motivatie gegeven.
B
De leerling niet voldoende gelegenheid gegeven on vragen te stellen.
C
Niet duidelijk en concreet de doelstelling vastgesteld.

Slide 48 - Quiz

Wat is het doel van een intest?
A
Dat de leerling les op maat krijgt.
B
De rijinstructeur weet wanneer hij examen kan aanvragen.
C
Om de tijdsplanning beter te kunnen bepalen.

Slide 49 - Quiz

Hoe kun je de leerling in aanraking brengen met een complex kruispunt?
A
Vragen stellen aan de hand van het huiswerk.
B
Na het berijden van een kruispunt vragen: "wat heb je waargenomen en voorspeld".
C
Voor het berijden van het kruispunt vragen: "Hoe is de voorrang geregeld?"

Slide 50 - Quiz

Wat is de feitelijke beginsituatie van de leerling?
A
Kennis, vaardigheden, houding en opleiding.
B
Weersomstandigheden bij de praktijkles van de leerling.
C
Rijervaring welke de leerling reeds beheerst.

Slide 51 - Quiz

Hoe kan een instructeur een ongemotiveerde leerling bij de les betrekken?
A
Door het laten zien van videobanden.
B
Door veel vragen te stellen.
C
Door tijdens de les het lesdoel te motiveren.

Slide 52 - Quiz

Een rijinstructeur wil een leerling "het achteruit in file parkeren" aanleren. Op welk moment in de praktijkles geeft de rijinstructeur een demonstratie?
A
Als hij de opdracht geeft aan de leerling om de taak uit te voeren.
B
Als hij met behulp van een speelgoedautootje het verloop van de manoeuvre laat zien.
C
Als hij vertelt uit welke belangrijke stappen en kritieke punten de manouevre is opgebouwd.

Slide 53 - Quiz

Bij de keuze van hulpmiddelen is het van belang om rekening te houden met:
A
De begrijpelijkheid van het hulpmiddel voor de rijinstructeur.
B
De leerstof die men gaat behandelen.
C
De beschikbare leertijd.

Slide 54 - Quiz

Wat dient bij het samenstellen van een lesroute passend te zijn?
A
De aan te leren rijtaken.
B
De leerling kenmerken.
C
De fase van de les.

Slide 55 - Quiz

Wanneer wordt een les afgezegd of de lesroute aangepast?
A
In geval van sneeuwval.
B
Bij omstandigheden die kunnen leiden tot gevaarlijke situaties tijdens het lessen.
C
Bij het naderen van risicovolle gebieden.

Slide 56 - Quiz

Wat doe je als je een privé telefoontje krijgt?
A
Je handelt het telefoontje snel af.
B
Je neemt niet op.
C
Je neemt wel op maar kapt het gesprek snel af.

Slide 57 - Quiz

Welk handelen heeft het beste effect op de leerling als het gaat om sturen naar zelfstandigheid?
A
Door de leerling de rijtaak te laten uitvoeren zonder aanwijzingen.
B
Door de leerling de rijtaak te laten uitvoeren met heel weinig aanwijzingen.
C
Door de leerling zonder aanwijzing, maar met af en toe een hint, de rijtaak te laten uitvoeren.

Slide 58 - Quiz

Een rijinstructeur houdt een procesevaluatie om vast te stellen?
A
Of de doelstelling bereikt is.
B
Hoe de les verlopen is.
C
Wat de leerling de komende les kan verbeteren.

Slide 59 - Quiz

Aan het einde van de les houdt de rijinstructeur een productevaluatie. Wat moet hij de leerling vragen?
A
Hoe vond je mijn uitleg?
B
Vond je mijn uitleg goed?
C
Wat vind je er zelf van hoe je de auto hebt gekeerd?

Slide 60 - Quiz