1.3 De eerste steden

Politiek = de manier waarop een samenleving wordt bestuurd
Economisch = alles wat te maken heeft met de uitgaven/inkomsten van een gebied/land
Sociaal = hoe mensen met elkaar omgaan
Cultureel = dingen die mensen doen, denken, gewoonten en gebruiken, waaronder godsdienst
1 / 17
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Politiek = de manier waarop een samenleving wordt bestuurd
Economisch = alles wat te maken heeft met de uitgaven/inkomsten van een gebied/land
Sociaal = hoe mensen met elkaar omgaan
Cultureel = dingen die mensen doen, denken, gewoonten en gebruiken, waaronder godsdienst

Slide 1 - Slide

1.3 De eerste steden
KA: Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen

Slide 2 - Slide

Feniks, Geschiedenis Werkplaats Memo

Slide 3 - Slide

Leerdoel
Aan het eind van deze les weet je:
  • hoe de eerste steden ontstonden  
  • welke groepen ontstonden in landbouwstedelijke samenlevingen  
  • welke politieke ontwikkelingen plaatsvonden  
  • welke culturele ontwikkelingen plaatsvonden 

Slide 4 - Slide

De vruchtbare halve maan 
Dorpen hadden in de prehistorie hooguit enkele honderden inwoners. De inwoners leefden van de landbouw. 
 De eerste steden ontstonden tussen 4000 en 2000 v.C. bij de rivieren de Eufraat en Tigris in Mesopotamië. 

Daar bouwde het volk van de Soemeriërs dorpen uit tot steden met o.a. bestuursgebouwen en tempels

Slide 5 - Slide

De landbouwstedelijke samenleving
In de steden ontstonden beroepen door specialisatie: als iemand zich richt op een bepaalde vaardigheid. Bijvoorbeeld ambtenaren en priesters: de godsdienstige leiders. 
 
Er kwamen vakmensen met een ambacht:  een beroep waarbij iemand producten maakt met zijn handen en gereedschap. 
 
Steden waren afhankelijk van handel:  het kopen en verkopen van producten.  Dit gebeurde op een markt: de plaats waar producten worden gekocht en verkocht. 

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Politieke ontwikkeling
  • De Soemerische steden in Mesopotamië werden geleid door vorsten. De rest van de bevolking bestond uit onderdanen.  
  •  In Egypte ontstond omstreeks 3000 v.C. één staat met een koning, de farao.  
  • Slaven en boeren stonden in de landbouwstedelijke samenleving onderaan in de sociale hiërarchie: rangorde. zij moesten hun oogst afstaan aan de staat.  
  •  De regering kon voedsel verstrekken aan bijvoorbeeld ambtenaren, militairen en priesters door deze belasting:  wat onderdanen aan hun regering moeten betalen.  

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Culturele ontwikkeling
  • De Soemeriërs hadden een polytheïstische godsdienst. Ze verklaarden alles wat gebeurde uit het handelen van de goden in mythen.  
  •  Tussen 3300 en 2900 v.C. ontwikkelden de Soemeriërs het spijkerschrift. Dit was een gevolg van de ingewikkelde organisatie die nodig was voor het besturen van hun steden. 
  • Een van de oudst bewaarde schriften is de Wetscodex van Hammurabi

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Maken 
Op zoek naar de kern
1, 3, 4, 6, 8
Historisch denken 
1, 4A

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

De eerste steden ontstaan in de tijd van
A
Jagers en boeren
B
Grieken en Romeinen
C
Steden en staten

Slide 15 - Quiz

Wat is de belangrijkste ontwikkeling uit het eerste tijdvak?
A
De overgang van jagen naar boeren
B
De overgang van verzamelen naar jagen
C
De overgang van boeren naar steden
D
De overgang van boeren naar verzamelen

Slide 16 - Quiz

Hieronder staan vijf uitspraken over het eerste tijdvak: de tijd van jagers en boeren (A-E). Welke twee uitspraken zijn juist?

A De prehistorie is een andere naam van het eerste tijdvak.
B De prehistorie is naam van de tweede periode in de geschiedenis.
C De tijd van jagers en verzamelaars duurde tot 3000 v.C.
D Een kenmerk van het eerste tijdvak is de levenswijze van jager-verzamelaars.
E Een kenmerk van het eerste tijdvak is het ontstaan van landbouw en landbouwstedelijke samenlevingen.

A
Uitspraak A en D
B
Uitspraak A en B
C
Uitspraak C en D
D
Uitspraak D en E

Slide 17 - Quiz