Prinsjesdag: Waar gaat het geld naartoe?
Prinsjesdag: Waar gaat het geld naartoe?
Gebruik als opening het idee dat Nederland niet oneindig veel geld heeft. Leg kort uit dat deze les gaat over keuzes maken met geld van de overheid.
Dit leer je vandaag
Ik kan uitleggen hoe Nederland geld verdeelt over ministeries.
This item has no instructions
Woordenschat
ministerie - deel van de overheid met een eigen taak
financiën - geld van de overheid
belastingen - geld dat mensen betalen aan de overheid
onderwijs - scholen en leren
zorg - hulp van dokters en ziekenhuizen
veiligheid - bescherming door politie en rechters
leger - soldaten die het land beschermen
This item has no instructions
Wat is Prinsjesdag?
Gebruik de woorden als start. Vraag kort waarom leerlingen dat woord kiezen.
Wat zit er in het koffertje?
Kleding
Het geldplan
Paspoorten
Brieven
Goed antwoord: het geldplan. De foute opties passen bij het idee van een echte koffer, maar niet bij Prinsjesdag.
Inkomsten
Belasting (loon)
Omzetbelasting (producten)
Accijnzen en milieuheffingen (brandstof, alcohol)
Vennootschapsbelasting (winst van bedrijven)
Uitgaven
Zorg
Sociale zekerheid (uitkeringen)
Onderwijs
Veiligheid en Infrastructuur
Houd het simpel: belastingen zijn geld dat mensen en bedrijven betalen aan de overheid.
Wie verdeelt het geld?
De minister van Financiën let op het geld.
Nederland krijgt geld uit belastingen.
Er zijn veel ministeries.
Elk ministerie wil geld voor eigen plannen.
Houd het simpel: belastingen zijn geld dat mensen en bedrijven betalen aan de overheid.
Ministeries
Ministerie van Onderwijs
Scholen en boeken
Ministerie van Zorg
Ziekenhuizen en dokters
Ministerie van Arme landen en vluchtelingen
Arme landen en vluchtelingen
Ministerie van Veiligheid
Politie en rechters
Ministerie van het Leger
Vrede en soldaten
Ministerie van Uitkeringen en werk
Uitkeringen en werk
Je kunt kort zeggen dat elk ministerie een eigen taak heeft. Gebruik eventueel herkenbare voorbeelden uit het dagelijks leven.
Vul de goede woorden in
De minister van Financiën let op het geld. Nederland krijgt geld uit belastingen. Er zijn veel ministeries met eigen plannen.
Herhaal de kernwoorden van slide 3 en 4.
Het spel: De Miljardenroulette
Jullie zijn straks een ministerie.
Elk ministerie start met 33 miljard euro.
Jullie geven redenen voor meer geld.
De minister van Financiën kiest.
This item has no instructions
Keuzes maken met geld
Soms kiest de overheid tussen twee dingen.
Bijvoorbeeld schoolboeken of nieuwe tanks.
Niet alles kan tegelijk.
Noem dat politiek vaak gaat over kiezen wat het belangrijkst is voor het land.
Nog een moeilijke keuze
Soms kiest de overheid ook tussen zorg en veiligheid.
Meer geld voor ziekenhuizen kan minder geld voor politie betekenen.
Benadruk dat er niet altijd één goed antwoord is. Het gaat om uitleg en redenen.
Wat kies jij nu?
Schoolboeken
Nieuwe tanks
This item has no instructions
Wat kies jij nu?
Ziekenhuizen
Politie
This item has no instructions
Wat gebeurt er bij extra geld?
A) Dan moet een ander ministerie geld inleveren
B) Dan wordt al het geld gratis
C) Dat maakt niks uit
Het goede antwoord is A. Koppel dit terug aan het idee van een vaste begroting.
Het spel: De Miljardenroulette
Jullie zijn straks een ministerie.
Elk ministerie start met 33 miljard euro.
Jullie geven redenen voor meer geld.
De minister van Financiën kiest.
This item has no instructions
Woordenschat
ministerie - deel van de overheid met een eigen taak
financiën - geld van de overheid
belastingen - geld dat mensen betalen aan de overheid
onderwijs - scholen en leren
zorg - hulp van dokters en ziekenhuizen
veiligheid - bescherming door politie en rechters
leger - soldaten die het land beschermen
This item has no instructions
Welk ministerie kies jij? Waarom?
Laat leerlingen in één korte zin antwoorden. Goede elementen: keuze voor een ministerie en een simpele reden, zoals hulp, school of veiligheid.
Vul de woorden in
Een ministerie heeft een eigen taak. Zorg helpt zieken mensen. Onderwijs gaat over scholen en leren.
Gebruik woorden uit de woordenschat van slide 10.
Wat heb jij vandaag geleerd?
Reflectie op de les. Laat leerlingen één ding noemen dat is blijven hangen.
Welk woord uit de les onthoud jij?
Laat leerlingen één woord kiezen uit de les, zoals zorg, belastingen of ministerie.
Wat hielp jou het best vandaag?
Reflectie op het leren. Mogelijke antwoorden: het spel, de voorbeelden, de woorden, of de keuzes.
Wat vind jij het belangrijkst?
Kies één ministerie.
Leg uit in één zin waarom.
Laat leerlingen een eenvoudig antwoord geven, bijvoorbeeld: 'Ik kies zorg, want zieken mensen hebben hulp nodig.'