Summatieve toets H2 Stoffen

Oefenen H2

1 / 42
next
Slide 1: Slide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Oefenen H2

Slide 1 - Slide

Hanneke wilt onderzoeken of een bepaalde stof suiker of zout is. Welke stofeigenschap kan ze dan het best onderzoeken?
A
Brandbaarheid
B
Geur
C
Kleur
D
Smaak

Slide 2 - Quiz

Een vloeistof is helder en heeft geen kleur. Karel zegt: ''dan kan het water zijn''
A
Karel heeft gelijk
B
Karel heeft niet gelijk

Slide 3 - Quiz

Een vloeistof is helder en heeft geen kleur. Peter zegt: ''dan kan het icetea zijn''
A
Peter heeft gelijk
B
Peter heeft niet gelijk

Slide 4 - Quiz

Een vloeistof is helder en heeft geen kleur. Omar zegt: ''het kan ook alcohol zijn''
A
Omar heeft gelijk
B
Omar heeft niet gelijk

Slide 5 - Quiz

Hieronder staan 4 stofeigenschappen. Sleep de juiste stof naar de bekendste stofeigenschap. 
Zure smaak
Brandbaar

witte kleur
Zoete smaak
citroensap
Melk
Hout
chocola

Slide 6 - Drag question

Joran beschrijft een vloeistof. Hij zegt ''De vloeistof is bruin, je kunt erdoorheen kijken en je ziet allemaal bubbeltjes omhooggaan.''
A
De vloeistof is helder, dus het is een oplossing
B
De vloeistof is helder, dus het is een suspensie
C
De vloeistof is troebel, dus het is een oplossing
D
De vloeistof is troebel, dus het is een suspensie

Slide 7 - Quiz

Jantien gaat de muren van haar kamer verven. Ze gebruikt een blik verf waarmee een half jaar geleden de kamer van haar broer is geverfd. Het blik is nog halfvol. Kan Jantien meteen na het openen van het blik gaan verven?
A
Ja, want verf blijft altijd goed gemengd
B
Ja, want verf is een oplossing
C
Nee, want verf is een suspensie en die moet je eerst ontmengen
D
Nee, want verf is een oplossing en die moet je eerst roeren

Slide 8 - Quiz

Op de sportdag van school drinken Marloes en Marieke mineraalwater uit een plastic fles. Welke bewering over mineraalwater is waar?
A
Mineraalwater is een oplossing
B
Mineraalwater is een zuivere stof
C
Mineraalwater is troebel en kleurloos
D
Mineraalwater moet je voor het drinken eerst goed schudden

Slide 9 - Quiz

Welk drankje is een suspensie?
A
Cola
B
Melk
C
Thee met suiker
D
Water

Slide 10 - Quiz

Sleep het woord naar het juiste gedeelte van de afbeelding
Residu
Filtraat

Slide 11 - Drag question

Koffiepoeder bevat verschillende stoffen die voor kenmerkende eigenschappen van de koffie zorgen. Dit zijn de _________. 
Deze stoffen worden met heet water uit de koffie getrokken. Dat heet _________.
De stoffen die niet in het water oplossen, blijven achter in het ________. 
De vers gezette koffie in de koffiepot noem je het _______. 
De vochtige koffieprut in het filter noem je het______
Extraheren
filter
Geur- kleur- en smaakstoffen
Residu
filtraat

Slide 12 - Drag question

1 kg is:
A
10 g
B
100 g
C
1000 g
D
10 000 g

Slide 13 - Quiz

De ruimte die een stof inneemt, noem je:
A
De massa
B
Het gewicht
C
Het volume
D
De dichtheid

Slide 14 - Quiz

1 mL =
A
0,1cm3
B
1cm3
C
10cm3

Slide 15 - Quiz

Massa
Volume
mililiter
liter
weegschaal
kilogram
gram
maatbeker/maatcilinder

Slide 16 - Drag question

Een voorwerp is 10 cm lang, 4 cm breed en 1 cm hoog. Hoe groot is het volume van dit voorwerp?
A
0,4cm3
B
40cm3
C
4cm3
D
400cm3

Slide 17 - Quiz

Wat is het volume van dit voorwerp?
A
24cm3
B
12cm3
C
24g/cm3
D
12g/cm3

Slide 18 - Quiz

Anke doet het staafje in de maatcilinder. Wat is de eindstand?
A
50 mL
B
18 mL
C
68 mL
D
58 mL

Slide 19 - Quiz

Stelling: de dichtheid is een stofeigenschap
A
waar
B
niet waar

Slide 20 - Quiz

Wat is de formule voor het berekenen van dichtheid?
A
dichtheid=volumemassa
B
dichtheid=massavolume
C
massa=volumedichtheid
D
massa=dichtheidvolume

Slide 21 - Quiz

Welke heeft de kleinste dichtheid?
A
aluminium
B
glas
C
keukenzout
D
perspex

Slide 22 - Quiz

Wat is de dichtheid van dit voorwerp?
A
27g/cm3
B
2,7g/cm3
C
10g/cm3
D
0,37g/cm3

Slide 23 - Quiz

Wat is de dichtheid van dit voorwerp?
A
9,0g/cm3
B
8,9g/cm3
C
0,11g/cm3
D
80g/cm3

Slide 24 - Quiz

Wat is de dichtheid van dit van het schaakstuk?
A
1,5g/cm3
B
0,7g/cm3
C
10,5g/cm3
D
0,1g/cm3

Slide 25 - Quiz

Welke heeft de grootste dichtheid?
A
A
B
B

Slide 26 - Quiz

Wat is de massa van de vloeistof die in de maatcilinder zit?
A
12,2 g
B
68,4 g
C
56,2 g
D
80,6 g

Slide 27 - Quiz

Wat betekent dit gevarensymbool?
A
giftig
B
licht ontvlambaar
C
corrosief
D
schadelijk

Slide 28 - Quiz

Wat is geen zuivere stof?
A
koffie
B
gedestilleerd water
C
ijzer
D
suiker

Slide 29 - Quiz

Wat is filtreren?
Filtreren is een manier om:

A
een opgeloste stof en een vloeistof van elkaar te scheiden.
B
een vaste stof en een vloeistof van elkaar te scheiden.
C
twee vaste stoffen van elkaar te scheiden.
D
twee vloeistoffen van elkaar te scheiden.

Slide 30 - Quiz

Als je koffie met suiker hebt. Wat is de suiker dan?
A
Oplossing
B
Oplosmiddel
C
Opgeloste stof

Slide 31 - Quiz

Ilse zegt: “Massa (gewicht) is een stofeigenschap.”
Lotte zegt: “Vorm is een stofeigenschap.”

Wie heeft gelijk?
A
Ilse
B
Lotte
C
Beiden
D
Geen van beiden

Slide 32 - Quiz

Lees de twee volgende zinnen:
I Een oplossing is altijd een mengsel.
II In het residu blijven stoffen achter die niet goed kunnen oplossen.
A
Beide zinnen kloppen
B
Beide zinnen kloppen niet.
C
Zin I klopt alleen.
D
Zin II klopt alleen.

Slide 33 - Quiz

Bart heeft twee reageerbuisjes. In het eerste doet hij meel en in het tweede suiker. Hij vult de reageerbuisjes met water en schudt ze goed.

Hoe noem je de mengsels die zo ontstaan?
A
In beide reageerbuisjes zit een suspensie
B
In beide reageerbuisjes zit een oplossing
C
In het reageerbuisje met meel zit een oplossing en bij suiker een suspensie
D
In het regeerbuisje met meel zit een suspensie en bij suiker een oplossing.

Slide 34 - Quiz

Je kunt geur- en smaakstoffen uit plantendelen halen door ze in een geschikt oplosmiddel te leggen.
Hoe noem je deze manier om deze stoffen uit planten te halen?
A
monteren
B
extraheren
C
filtreren
D
scheiden

Slide 35 - Quiz

Bij de onderdompelmethode gebruik je:
A
Vvoorwerp=VeindVbegin
B
Veind=VvoorwerpVbegin
C
Vvoorwerp=VbeginVeind
D
Vbegin=VeindVvoorwerp

Slide 36 - Quiz

4,5 Liter is hoeveel dm3?
A
4,5
B
0,45
C
45
D
450

Slide 37 - Quiz

0,018 dm3 is ......... ml
A
18 ml
B
180 ml
C
0,18 ml
D
1,8 ml

Slide 38 - Quiz

Bereken de dichtheid van het blokje.
    dichtheid = 
 massa/ volume

Slide 39 - Open question

Wanneer gebruik je de onderdompelmethode?

Slide 40 - Open question

Bereken het volume van dit blokje.

Slide 41 - Open question

Klaar!

Slide 42 - Slide