BLB LOWAN thema 1 voorzetsels

Voorzetsels
LOWAN thema 1
1 / 33
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min
Report this lesson

Items in this lesson

Voorzetsels
LOWAN thema 1

Slide 1 - Slide

Doel

Voorzetsels leren: op, voor naast
oefenen met de voorzetsels

Slide 2 - Slide

Voorzetsels

Prepositions
حروف الجر
Ereyada xiriirinta (hor yaallada)
Прийменники

Slide 3 - Slide

Plaats
op – onder – boven 
naast – achter – voor
in – uit – bij – tegen – 
over
Richting
naar – door

Tijd / volgorde
na - over
Middel / relatie
met –  aan

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Voorzetsel
De  gele woorden  zijn een voorzetsel 

OP de kast
NAAST de kast
VOOR de tafel


Slide 8 - Slide

OP
 ✅ bovenop iets → op de tafel
 ✅ een dag → op maandag
 ✅ vervoer → op de fiets
 ✅ vakantie/bezoek → op vakantie, op bezoek

Slide 9 - Slide

De docent zit op de stoel.

Slide 10 - Slide

Ik heb gym op dinsdag.

Slide 11 - Slide

Hij schrijft op het bord.

Slide 12 - Slide

Ik ga op bezoek bij mijn vriendin.

Slide 13 - Slide

VOOR
 ✅ aan de voorkant → voor het huis 
 ✅ bedoeld voor iemand → voor jou
 ✅ eerder in de tijd → voor school

Slide 14 - Slide

De docent staat voor het bord.

Slide 15 - Slide

De hond loopt voor de man.

Slide 16 - Slide

De hond loopt voor de man.

Slide 17 - Slide

De bloemen zijn voor jou.

Slide 18 - Slide

Ik eet voor ik naar school ga.

Slide 19 - Slide

naast
 ✅ plaats → naast je vriendin 
 ✅ plaats → naast het boek
 

Slide 20 - Slide

Mohamed zit naast zijn vriend.

Slide 21 - Slide

De bomen staan ____ elkaar.
A
voor
B
op
C
naast

Slide 22 - Quiz

Sam voetbalt ____ maandag.
A
voor
B
op
C
naast

Slide 23 - Quiz

De kat zit ____ de tafel.
A
naast
B
op
C
voor

Slide 24 - Quiz

De hond loopt
_____ de man.
A
naast
B
op
C
voor

Slide 25 - Quiz

De stoelen staan
____ de tafel.
A
naast
B
voor
C
op

Slide 26 - Quiz

Sandra zit ____ haar vriend.
A
op
B
voor
C
naast

Slide 27 - Quiz

De docent staat _____ het bord.
A
naast
B
voor
C
op

Slide 28 - Quiz

Ik schrijf _____ het papier.
A
naast
B
onder
C
op

Slide 29 - Quiz

Het mes ligt ____ het bord.
A
naast
B
op
C
voor

Slide 30 - Quiz

Dit cadeau is _____ jou.
A
naast
B
op
C
voor

Slide 31 - Quiz

De jongen rijdt _____ de fatbike.
A
naast
B
op
C
voor

Slide 32 - Quiz

Slide 33 - Link