Drama les 1: Waar (locaties)
Doel van de les: je leert het gebruik van wie, wat en waar. Je past deze toe in de voorbereiding van activiteiten (5 w's).
Aanwezigheid
Studiepunten voor eindopdracht: voorbereiden en uitvoeren energizer, activiteit voorbereiden voor de doelgroep kinderen
Drama les 1: Waar (locaties)
Doel van de les: je leert het gebruik van wie, wat en waar. Je past deze toe in de voorbereiding van activiteiten (5 w's).
Aanwezigheid
Studiepunten voor eindopdracht: voorbereiden en uitvoeren energizer, activiteit voorbereiden voor de doelgroep kinderen
Lesplanning
Warming-up: hand op rood
Oefening 1: doorfluistertableau
Oefening 2: het verboden woord
Opdracht: gelukkig je bent er
Opdracht: ABC
Opdracht: hetzelfde ergens anders
Opdracht: Energize
Nabespreken en afsluiten
Warming-up
De docent zet muziek op. De leerlingen lopen rond in de ruimte.
Wanneer de docent de muziek uit zet geeft ze direct een opdracht, bijvoorbeeld: hand op rood. De leerlingen moeten dan zo snel mogelijk iets roods zoeken en daar hun hand op leggen. Zo bedenkt de docent elke keer een andere opdracht. Op een gegeven moment is steeds de laatste leerling die de opdracht uitvoert af. Zo gaan we door tot er nog maar een iemand over is.
Nabespreken: welke doelen kan deze oefening hebben voor bijvoorbeeld de doelgroep kinderen?
Oefening 1: doorfluister-tableau
We starten kort met klap-spring-om met locaties. Dit is een oefening die in blok 1 al is behandeld. Jullie staan in de kring met hun rug naar het midden. De docent geeft een plaats en klapt in haar handen. Jullie springen om en maken een tableau vivant (levend beeld) van deze plaats. De docent komt bij iedereen kijken. Jullie houden het beeld vast tot de docent opnieuw in haar handen klapt.
Na vijf locaties veranderen we de opdracht naar doorfluister-tableau. We verdelen de klas in twee groepen. De eerste persoon van de groep bedenkt een locatie en maakt daar een tableau bij. De tweede persoon in de rij mag omdraaien en probeert de tableau zo goed mogelijk na te maken. Dit gaat door tot de laatste persoon. Deze moet raden om welke locatie het gaat.
Oefening 2: het verboden woord
Jullie worden verdeeld in twee groepen: A en B. Uit elke groep komen steeds twee leerlingen. Zij krijgen een kaartje, waarop een plaats staat. Deze moeten zij samen uitspelen. Op het kaartje staan ook een aantal woorden die zij niet mogen uitspreken. Doen zij dit wel, dan gaat er een punt van hun groep af. De groep waaruit de leerlingen komen mag eerst raden om welke plaats het gaat. Doen zij dit goed, dan verdienen ze een punt. Bij een fout antwoord mag de andere groep raden. Het eerste antwoord telt, dus overleg is belangrijk.
Benodigdheden: kaartjes met locaties en verboden woord
Opdracht: gelukkig je bent er
Er komen drie studenten op de vloer. Eén van hen gaat naar de gang. Hij weet straks niet wat de locatie is. De andere spelers weten dit wel. Zij zetten de scene in en betrekken de ander daarbij. Degene die binnenkomt moet proberen zo goed mogelijk mee te spelen. Als hij weet om welke locatie het gaat, mag hij ook zelf initiatief nemen. Hierdoor weet de docent ook dat de student de locatie geraden heeft. Dit doen zij tot de docent de scene stop zet.
Opdracht: ABC
De klas wordt weer verdeeld in twee groepen. Twee spelers, elk van een andere groep, krijgen een locatie. De spelers spelen een scène, waarbij elke volgende zin begint met de volgende letter van het alfabet, te beginnen met de A. Duurt het te lang of begint de zin met de verkeerde letter, dan is die speler af. Bij moeilijke letters mogen de spelers creatief omgaan, zoals "Qukelekuu" of "Xou het niet weten".
Opdracht: hetzelfde ergens anders
De studenten krijgen in groepjes van twee een tekst. Hierbij staat ook een plaats. De tekst van elk groepje is hetzelfde, maar de locaties zijn verschillend. Als de scene juist wordt gedaan, zal de tekst dus steeds anders gebracht worden.
Een tekst moet bijvoorbeeld heel anders in een drukke ruimte gebracht worden, dan in een rustige ruimte. Studenten kunnen gebruik maken van volume, intonatie, rust. Studenten krijgen de tijd om de scene voor te bereiden en we presenteren de scenes aan elkaar. De tekst wordt uit het hoofd geleerd. Als studenten het leuk vinden mogen zij attributen en/of kleding gebruiken.
Benodigdheden: kaartjes met teksten en locaties
Energize!
De klas wordt verdeeld in groepjes. Elk groepje bedenkt een energizer voor aan het begin van de les. Deze energizer mag voor kinderen of ouderen zijn. Je houdt rekening met de wie, wat, en waar. Je bedenkt wat het doel is van je energizer.
Elke les start een groepje met de energizer die hij heeft voorbereid en krijgt hier feedback op van klasgenoten en de docent. Je krijgt een invulformat, deze leveren jullie in bij de docent wanneer je de activiteit uitvoert.
Energizer Dramales
1. Wie? (Doelgroep)
Doelgroep:
Leeftijd:
Beginsituatie (wensen/mogelijkheden deelnemers):
Bijzonderheden/aandachtspunten:
2. Wat? (Activiteit)
Naam van de energizer:
Korte beschrijving van de activiteit:
Doel van de energizer (bijv. opwarmen, concentratie, samenwerking, plezier):
Benodigd materiaal:
Bijzonderheden/aandachtspunten:
3. Waar? (Locatie)
Locatie
Hoe is de ruimte ingericht? (bijv. open ruimte, stoelen in kring)
Wat moet je klaarzetten?
4. Wanneer? (Tijdstip en duur)
Datum van uitvoering:
Moment van uitvoering (bijv. begin les, na pauze):
Duur van de energizer:
5. Waarom? (Doel en motivatie)
Waarom is deze energizer geschikt voor deze doelgroep?
Wat wil je met de activiteit bereiken?
Waarom hebben jullie deze activiteit gekozen?
Evaluatie (na uitvoering)
Wat ging goed?
Wat kan beter?
Reactie van de deelnemers: