Hoofdzinnen en bijzinnen

NT2 A2 voegwoorden
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

NT2 A2 voegwoorden

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Opbouw van de les

  • Uitleg + oefenen hoofdzinnen en bijzinnen
  • opdracht: E-mail schrijven | Verhaal schrijven 
  • Doel gehaald? 

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Twee hoofdzinnen
Je kan 2 zinnen aan elkaar maken, met de voegwoorden:

Ik houd van appels. Ik houd niet van peren.
en                Ik houd van appels en ik houd niet van peren.

Ik houd van appels. Ik vind ze lekker fris.
want           Ik houd van appels, want ik vind ze lekker fris.


Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Doel van de les

  • Je weet het verschil tussen een hoofdzin en een bijzin. 
  • Je kunt van 2 zinnen een samengestelde zin maken met behulp van voegwoorden. 

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen een hoofdzin en een bijzin?

Slide 5 - Open question

This item has no instructions

HOOFDZIN

Het onderwerp en de persoonsvorm staan bij elkaar vooraan in de zin.

Deze zin kan wel op zichzelf staan. 
BIJZIN

De persoonsvorm staat vaak achteraan in de zin.


Deze zin kan niet op zichzelf staan.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

HOOFDZIN

Ik ga slapen.
Ik ben moe.

Ik ga slapen, want ik ben moe.
BIJZIN

Ik ga slapen.
Ik ben moe.

Ik ga slapen, omdat ik moe ben.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

maar, want, dus, en, of
maar: je praat over een tegenstelling
                                                               Ik wil fietsen, maar hij is gestolen.
want: je geeft een reden
                                                           Ik wil fietsen, want het is mooi weer.

dus: je praat over iets wat logisch is na wat gebeurt
                                                     Ik wil fietsen, dus ik ga een fiets lenen.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

maar, want, dus, en, of
en: je praat over 2 dingen
                                                         Ik wil fietsen en ik wil televisie kijken.

of: je kunt kiezen tussen 2 dingen
                                                           Ik ga fietsen of ik ga televisie kijken.


Slide 9 - Slide

This item has no instructions

omdat en als
Omdat en als zijn ook voegwoorden  MAAR: ze staan tussen een hoofdzin en een bijzin. In de bijzin staat het werkwoord, achteraan en het onderwerp op de eerste plaats.

Ik kan vandaag niet werken, omdat ik ziek ben.
Hij is moe, omdat hij veel sport.
Ik ga naar buiten, als het droog is.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

omdat
Omdat betekent hetzelfde als want. 
De zinsvolgorde is alleen anders.
Met omdat en want geef je een reden.
Je geeft antwoord op de vraag waarom?

Waarom ga je niet werken?
Omdat ik ziek ben. 

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Als
Met als vertel je wanneer iets gebeurt.
Je geeft antwoord op de vraag wanneer?

Wanneer ga je naar buiten?
Als het droog is.
Wanneer gaan jullie naar Parijs?
Als het vakantie is.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Waarom ga je met de trein?
A
Want ik ben dan sneller.
B
Dus ik ben sneller.
C
Omdat ik dan sneller ben.
D
Als het vakantie is.

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions


Vul het goede voegwoord in.
Ik drink geen koffie, .... wel thee.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 14 - Quiz

Antwoord B: maar.

Waarom ga jij naar school?
A
Omdat ik Nederlands wil leren.
B
Want ik wil Nederlands leren.
C
Omdat ik wil leren Nederlands.
D
Want ik Nederlands wil leren.

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions


Ik drink geen koffie, .... daar krijg ik maagpijn van.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 16 - Quiz

Antwoord C: want.
Wanneer ga jij naar school?
A
Van maandag tot en met vrijdag.
B
Als het weekend is voorbij.
C
Want ik wil Nederlands leren.
D
Als het weekend voorbij is.

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions


Wil jij koffie ... chocolademelk?
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 18 - Quiz

Antwoord D: of.
Waarom draag jij een bril?
A
Omdat ik dan kan beter zien.
B
Omdat ik dan beter kan zien.
C
Want dan kan ik beter zien.
D
Als ik beter kan zien.

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions


Ik drink geen koffie ... ook geen chocolademelk.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 20 - Quiz

Antwoord A: en.

Vul het juiste voegwoord in.
Jean ... Peter gaan naar school.

Slide 21 - Open question

Antwoord: en.

De school is dicht, ... het is een vrije dag.

Slide 22 - Open question

Antwoord: want.
Wanneer bel je me?
A
Als de les is voorbij.
B
Want de les is voorbij.
C
Omdat de les voorbij is.
D
Als de les voorbij is.

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions


Zullen we gaan zwemmen ... zullen we gaan voetballen?

Slide 24 - Open question

Antwoord: of.

Maak van 2 zinnen 1 zin.
Jan drinkt koffie. Peter drinkt thee.

Slide 25 - Open question

Antwoord: Jan drinkt koffie en Peter drinkt thee.
Waarom zoek jij een baan?
A
Als ik klaar ben met school.
B
Als het zomer is.
C
Omdat ik geld wil verdienen.
D
Omdat ik wil geld verdienen.

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions


Maak van 2 zinnen 1 zin.
Wil je koffie? Wil je thee?

Slide 27 - Open question

Antwoord: Wil je koffie of wil je thee?
Wanneer gaan we op vakantie?
A
Morgen.
B
Over 2 weken.
C
Als het niet meer regent.
D
Als de school dicht is.

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Schrijfopdracht

Vrij vragen

Je werkt op twee vaste avonden in de week in een fabriek. Volgende week kun je op één avond niet komen werken. Je stuurt een e-mail aan je baas om vrij te vragen.
In je e-mail:

  • vertel je waarom je mailt;
  • vertel je om welke avond het gaat;
  • vertel je waarom je die avond niet kan werken;
  • geef je een oplossing voor de situatie.
  • Denk aan aanhef en afsluiting
  • denk aan voegwoorden, hoofdzinnen en bijzinnen

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Doel van de les gehaald?

  • Je weet het verschil tussen een hoofdzin en een bijzin. 
  • Je kunt van 2 zinnen een samengestelde zin maken met behulp van voegwoorden. 

Slide 30 - Slide

This item has no instructions