BINDING · VEILIGHEID
Examentraining
Veiligheid en criminaliteit: zo pak je examenvragen aan
BINDING · VEILIGHEID
Examentraining
Veiligheid en criminaliteit: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Syced / Wikimedia Commons, CC0
BINDING · VEILIGHEID
Wat ga je kunnen?
Ik kan onveiligheid onderscheiden, verklaringen van criminaliteit herkennen en uitgangspunten van beleid benoemen.
This item has no instructions
BINDING · VEILIGHEID
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: de casus of bron en de vraag. Let op het woord 'welke' of 'verklaar'.
2. Zoek: het kernconcept, de theorie of de strategie die bij het gegeven past.
3. Schrijf: de naam van het begrip letterlijk op en koppel die aan een gegeven uit de casus.
4. Controleer: past je antwoord ook bij de andere opties niet?
This item has no instructions
BINDING · VEILIGHEID
Vraagtype 1: soorten onveiligheid
Je moet bepalen of iets objectieve of subjectieve onveiligheid is.
Objectief: meetbaar, aard en omvang. Subjectief: gevoel en beleving.
Beeldvorming in de media werkt vooral door op het gevoel.
This item has no instructions
Een rapport meldt: diefstallen in stad X daalden van 900 naar 700. Welke onveiligheid?
Subjectieve onveiligheid
Beeldvorming
Veiligheidsutopie
Objectieve onveiligheid
Syllabus 16.3: een aantal delicten is aard en omvang, dus objectief. Verwachte fout: subjectief kiezen omdat het over een rapport gaat. Het voorbeeld is verzonnen.
Hoe beïnvloedt nieuws het onveiligheidsgevoel?
Syllabus 16.4. Casus: na veel nieuwsberichten over een misdrijf voelen bewoners zich onveiliger. Goed antwoord: berichtgeving beïnvloedt de beeldvorming (en door selectiviteit het referentiekader), waardoor de subjectieve onveiligheid toeneemt, terwijl de objectieve onveiligheid niet hoeft te veranderen. Verwachte fout: zeggen dat er dus meer misdrijven zijn.
BINDING · VEILIGHEID
Vraagtype 2: een verklaring herkennen
Je krijgt een casus en moet de theorie noemen die erbij past.
Binding: band met gezin, school, vrienden. Anomie: doelen zonder middelen. Gelegenheid: doelwit en bewaking. Etikettering: het stempel.
Noem de theorie en het gegeven uit de casus.
This item has no instructions
Door sportclub en mentor pleegt Jamal minder strafbare feiten. Welke theorie past?
Gelegenheidstheorie
Bindingstheorie
Anomietheorie
Rationele keuzetheorie
Syllabus 16.7: sterke bindingen met groepen als vriendengroep en school werken remmend. Verwachte fout: de rationele keuzetheorie, omdat Jamal ook zou kunnen afwegen. De casus noemt bindingen.
Hoe verklaart de anomietheorie crimineel gedrag?
Casus: achterstand en crimineel gedrag (let op de omstandigheden, niet de groep). Syllabus 16.7. Goed antwoord: de samenleving definieert doelen (zoals welvaart) zonder dat iedereen toereikende middelen of kansen heeft; wie te weinig middelen heeft of stress ervaart door weinig kansen, kiest vaker afwijkend of crimineel gedrag. Verwachte fout: alleen zeggen dat arme mensen vaker stelen. De uitleg moet de doelen-middelen-koppeling bevatten en gaat over omstandigheden.
BINDING · VEILIGHEID
Vraagtype 3: beleid herkennen
Je krijgt een maatregel en bepaalt de strategie en het soort beleid.
Rechtshandhaving is repressief. Hulpverlening en gelegenheid beperken zijn preventief.
Let op wie centraal staat: de dader of de criminaliteit zelf.
This item has no instructions
Een gemeente start sportactiviteiten voor een overlast gevende jeugdgroep. Welke strategie?
Ondersteuning en hulpverlening
Rechtshandhaving
Het beperken van de gelegenheid
Rechtsbescherming van burgers
Syllabus 17.3: groepsgerichte maatregelen zoals sportactiviteiten om contact op te bouwen horen bij ondersteuning en hulpverlening. Verwachte fout: gelegenheid beperken, omdat de groep minder tijd heeft voor overlast.
Supersnelrecht: welke strategie en soort beleid?
Syllabus 17.3. Goed antwoord: rechtshandhaving, en dat is repressief beleid, omdat het gaat om opsporen, vervolgen en straffen van daders. Verwachte fout: preventief beleid noemen omdat snel straffen afschrikt.
Voormalige rechtszaal in de Oude Rechtbank, Groningen, 2023
BINDING · VEILIGHEID
Vraagtype 4: strafrecht en uitgangspunten
Je krijgt een standpunt over straffen en bepaalt de school of stroming.
Klassiek: daad, afschrikking, vergelding. Modern: dader, resocialisatie, speciale preventie.
Onderbouw met een woord uit de casus.
Image credit: Hardscarf / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Rechter Lotte weegt bij de strafmaat de jeugd en thuissituatie van de dader mee. Welke school?
De klassieke school
De etiketteringtheorie
De moderne school
De gelegenheidstheorie
Syllabus 17.1: aandacht voor persoonskenmerken en sociale omstandigheden past bij de moderne school; de strafmaat in Nederland houdt hier ook rekening mee. Verwachte fout: de klassieke school, omdat een rechter straft.
Waarom past hoge straf bij de klassieke school?
Syllabus 17.1. Goed antwoord: de klassieke school gaat uit van vrije wil en kostenbatenafweging; hoge straffen en pakkans zorgen dat de kosten hoger zijn dan de opbrengst, zodat mensen afzien van een misdrijf (generale preventie). Verwachte fout: alleen 'vergelding' noemen zonder de afweging.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Soorten onveiligheid
Een verklaring herkennen
Beleid herkennen
Strafrecht en uitgangspunten
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.
BINDING · VEILIGHEID
Tips voor op het examen
Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het begrip altijd aan een gegeven uit de casus.
Gebruik de naam van de theorie of strategie letterlijk en leg uit waarom die past.
Lees de vraag twee keer: moet je een begrip noemen, toepassen of verklaren?
Zoek bij een casus eerst wie of wat centraal staat: de dader, de gelegenheid of het gevoel.
This item has no instructions