Voorzetselvoorwerp

Ontdek wat je al wist!
--> maken zin 4 en 5 op blz. 8 en ontdekopdracht 1 op blz. 9-11
15 minuten de tijd.
Werk samen met je buurman/-vrouw
Klaar? Lezen theorie op blz. 12 en 13
1 / 12
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Ontdek wat je al wist!
--> maken zin 4 en 5 op blz. 8 en ontdekopdracht 1 op blz. 9-11
15 minuten de tijd.
Werk samen met je buurman/-vrouw
Klaar? Lezen theorie op blz. 12 en 13

Slide 1 - Slide

Lesdoelen

  • Je weet wat een voorzetselvoorwerp is. 
  • Je kunt het voorzetselvoorwerp in een zin benoemen.

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Voorzetselvoorwerp
  • Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een voorzetsel. 
  • Een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel (luisteren naar, rekenen op, delen door, geven om). 
  • Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met het gezegde.

Voorbeelden
  • Ik ben niet tevreden met deze computer.  --> tevreden zijn met
  • Lenny houdt al meer dan tien jaar van Kevin. --> houden van

Slide 4 - Slide

Voorzetselvoorwerp
  • Een zinsdeel dat met een voorzetsel begint welke je niet uit de zin  kunt weghalen, is altijd een voorzetselvoorwerp.
  • Behalve als het  zinsdeel een plaats aangeeft, dan is het een bijwoordelijke bepaling. 

Bijvoorbeeld
  • Zij wacht op haar vriendinnen. --> voorzetselvoorwerp 
  • Zij wacht op het schoolplein. --> bijwoordelijke bepaling.

Slide 5 - Slide

Is het zinsdeel tussen haakjes een voorzetselvoorwerp?
Waarom zou je (aan jezelf) twijfelen?
A
Ja
B
Nee

Slide 6 - Quiz

Is het zinsdeel tussen haakjes een voorzetselvoorwerp?
Ik wacht al uren (bij de trein).
A
Ja
B
Nee

Slide 7 - Quiz

Wat is het zinsdeel tussen haakjes?

Ik heb (aan jou) een schilderij gegeven.
A
voorzetselvoorwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 8 - Quiz

Wat is het zinsdeel tussen haakjes?

Ik ben soms bang (voor het donker).
A
voorzetselvoorwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 9 - Quiz

Wat is het voorzetselvoorwerp in de zin?

Ze heeft gisteren een abonnement op haar favoriete tijdschrift afgesloten.

Slide 10 - Open question

Wat is het voorzetselvoorwerp in de zin?

De politie waarschuwde hem voor de laatste keer.

Slide 11 - Open question

Aan de slag!
Wat? Maken opdracht 2 en 3 (blz. 11, 12, 13, 14)
Hoe? Grammaticaboekje en potlood
Tijd? 20 minuten
Hulp? 10 minuten zelfstandig, 10 minuten samen
Klaar? Opdracht 4.

Slide 12 - Slide