Grammatica zinsdelen: Voorzetselvoorwerp

Planning
Lezen
Lesdoelen
Groepsopdracht zinsdelen
Uitleg voorzetselvoorwerp
Oefenen
Afsluiting
1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Planning
Lezen
Lesdoelen
Groepsopdracht zinsdelen
Uitleg voorzetselvoorwerp
Oefenen
Afsluiting

Slide 1 - Slide

Lezen in je leesboek!

Slide 2 - Slide

Voorzetsel voorwerp

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Voorzetselvoorwerp
  • Een zinsdeel dat met een voorzetsel begint welke je niet uit de zin  kunt weghalen, is altijd een voorzetselvoorwerp.
  • Behalve als het  zinsdeel een plaats aangeeft, dan is het een bijwoordelijke bepaling. 

Bijvoorbeeld
  • Zij wacht op haar vriendinnen. --> voorzetselvoorwerp 
  • Zij wacht op het schoolplein. --> bijwoordelijke bepaling.

Slide 5 - Slide

Voorzetselvoorwerp
  • Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een voorzetsel. 
  • Een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel (luisteren naar, rekenen op, delen door, geven om). 
  • Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met het gezegde.

Voorbeelden
  • Ik ben niet tevreden met deze computer.  --> tevreden zijn met
  • Lenny houdt al meer dan tien jaar van Kevin. --> houden van

Slide 6 - Slide

Zinnen maken met woorden met een vast voorzetsel
Sommige werkwoorden hebben een vast voorzetel zoals: zorgen, zich verbazen, gokken en huilen.


1. Schrijf in je schrift welk voorzetsel bij die werkwoorden horen. ( tip: maak er een zin van: Ik ….)
2. Maak een zin waarin je het werkwoord met het vaste voorzetsel combineert. 

Slide 7 - Slide

Voorbeelden
1. Ik maak me zorgen over de stikstofcrisis.
2. Ik verbaas me over de achterstanden door corona.
3. Ik gok op de beste paardenrenner.
4. Ik huil om het overlijden van mijn huisdier.

Slide 8 - Slide

Voorzetselvoorwerp - vv
Voorzetselvoorwerp: Een zinsdeel met een voorzetsel erin. ( Ik houd van sushi.
Voorwaarden wanneer het een voorzetselvoorwerp is:
1. Het voorzetsel moet in een zinsdeel zijn.
2. Het voorzetsel moet een vaste combinatie zijn met een werkwoord. (je kunt het voorzetsel niet door een ander voorzetsel vervangen)
3. Het voorzetsel moet geen plaats betekenen. (Ik hang de jas op de kapstok)

Slide 9 - Slide

Benoem het voorzetselvoorwerp:
Niemand geloofde in deze methode.
A
Niemand
B
geloofde in
C
geloofde in deze methode
D
in deze methode

Slide 10 - Quiz

Is het zinsdeel tussen haakjes een voorzetselvoorwerp?
Waarom zou je (aan jezelf) twijfelen?
A
Ja
B
Nee

Slide 11 - Quiz

Is het zinsdeel tussen haakjes een voorzetselvoorwerp?
Ik wacht al uren (bij de trein).
A
Ja
B
Nee

Slide 12 - Quiz

Wat is het zinsdeel tussen haakjes?

Ik heb (voor jou) een schilderij gemaakt.
A
voorzetselvoorwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 13 - Quiz

Wat is het zinsdeel tussen haakjes?

Ik ben soms bang (voor het donker).
A
voorzetselvoorwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 14 - Quiz

Wat is het voorzetselvoorwerp in de zin?

De politie waarschuwde hem voor de laatste keer.

Slide 15 - Open question

Maken
Maken: BLZ 109 in oefenboek
opdracht 1,2,5,7,89

Slide 16 - Slide