De werkgever dat ik ken, gooit het over een andere boeg.
D
Het diner dat ze bereid heeft, smaakt heerlijk.
Slide 2 - Quiz
Welke zinnen zijn juist?
A
Gaan jullie altijd zwemmen als het warm is?
B
Gaan jullie altijd zwemmen zodra het warm is?
C
Gaan jullie altijd zwemmen zodat het warm is.
D
Gaan jullie altijd zwemmen nadat het warm is?
Slide 3 - Quiz
Welke zinnen zijn juist.
A
Voordat we gingen zwemmen, douchten we ons.
B
Nadat we zwommen, kleedden we ons aan.
C
Voordat we hadden gezwommen, douchten we ons.
D
Nadat we hadden gezwommen, kleedden we ons aan.
Slide 4 - Quiz
Welke zin is juist?
A
Heb je bereikt wat je van jongs af aan wilde?
B
Heb je bereikt dat je van jongs af aan wilde?
Slide 5 - Quiz
Welke zin is juist?
A
Ik ben flauwgevallen door de hitte.
B
Ik viel flauw door de hitte.
Slide 6 - Quiz
Welke zin is juist?
A
Menig Nederlander spreekt redelijk goed Engels.
B
Veel Nederlanders spreken redelijk goed Engels.
Slide 7 - Quiz
Welke zin is juist?
A
Ik ben benieuwd naar jouw mening.
B
Ik ben benieuwd van jouw mening.
Slide 8 - Quiz
Welke zin is juist?
A
Geldt deze regel ook voor kinderen?
B
Geldt deze regel ook aan kinderen?
Slide 9 - Quiz
Welke zinnen zijn juist?
A
Ik pas me gemakkelijk aan aan een andere cultuur.
B
Ik pas me gemakkelijk aan een andere cultuur aan.
C
Ik pas me aan gemakkelijk aan een andere cultuur.
Slide 10 - Quiz
Taalhandeling: een voorstel doen en iets afwijzen. Reageer negatief op het volgende voorstel. Je wijst het voorstel dus af. "Wat vind je ervan om vandaag een uurtje eerder met de les te stoppen? (p.119)
Slide 11 - Open question
Taalhandeling: een voorstel doen en iets afwijzen. Reageer negatief op het volgende voorstel. Je wijst het voorstel dus af. "Ik stel voor dat jij het afscheid van onze collega organiseert"(p.119)
Slide 12 - Open question
Taalhandeling: een voorstel doen en iets afwijzen. Reageer negatief op het volgende voorstel. Je wijst het voorstel dus af. "Vind je het goed als we vanavond allemaal bij jou komen eten" (p.119)
Slide 13 - Open question
Spreken: Vertel over een stad die je hebt bezocht.
Wanneer was je daar?
Met wie?
Hoe ben je daar gekomen?
Waar heb je overnacht?
Wat heb je gedaan?
Wat vond je van de stad en waarom?
Slide 14 - Slide
Slide 15 - Slide
Schrijven Wat was je leukste/vervelendste reis? Waarom? Schrijf een tekst van minimaal vijf zinnen.
Slide 16 - Open question
Relatieve pronomen: die/dat (p.150) Combineer de zin tot een zin met een relatieve bijzin. Zinnen met die. "Psychologie is een opleiding" "De opleiding past bij mij"
Slide 17 - Open question
Relatieve pronomen: die/dat (p.150) Combineer de zin tot een zin met een relatieve bijzin. Zinnen met dat. "Op mijn telefoon krijg ik een bericht" en "Het bericht is automatisch verstuurd"
Slide 18 - Open question
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit zijn vrienden..........."
Slide 19 - Open question
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit is mijn fiets..........."
Slide 20 - Open question
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit is koningin Maxima........."
Slide 21 - Open question
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit is de schaatsbaan........."
Slide 22 - Open question
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit is het strand..........."
Slide 23 - Open question
spreken/schrijven
Taalhandeling: Reageren op een idee/plan/voorstel (p.148)
Reageer positief, ontwijkend of afwijzend.
Het idee is om yoga voor de werknemers op het werk aan te bieden. Wat vind je daarvan?
Slide 24 - Slide
Herschrijf de volgende zin en gebruik zou/zouden. Kun je me even helpen?
Slide 25 - Open question
Herschrijf de volgende zin en gebruik zou/zouden. "Wij willen graag even van uw toilet gebruik maken."
Slide 26 - Open question
Herschrijf de volgende zin en gebruik zou/zouden. "We willen graag slagen voor de toets."