Je leest niet altijd op dezelfde manier. De manier waarop je leest, ligt aan de reden waarom je de tekst leest.
Stap 1: oriënterend lezen
Doel: onderwerp van de tekst vinden.
1 Lees de titel, de tussenkopjes en bekijk de eventuele afbeeldingen.
2 Lees de eerste alinea of de eerste twee alinea’s.
3 Geef in een paar woorden antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?
Het antwoord op die vraag is het onderwerp van de tekst.
Slide 4 - Slide
§2 - Stappenplan lezen
2: Globaal lezen
Doel: deelonderwerpen van de tekst vinden.
1 Lees van elke alinea de eerste en de laatste zin.
2 Markeer met strepen in de linker kantlijn (= witte ruimte naast de tekst) welke alinea(’s) de inleiding en het slot zijn.
3 Markeer met strepen in de linker kantlijn welke alinea’s van het middenstuk bij elkaar horen en dus over hetzelfde deelonderwerp gaan.
Slide 5 - Slide
§2 - Stappenplan lezen
Stap 3: precies lezen
Doel: precies weten waar de tekst over gaat.
1 Lees de tekst helemaal.
2 Markeer de kernzin van elke alinea.
3 Noteer van elke alinea in een paar woorden het deelonderwerp in de linker kantlijn.
Stap 4: Afronding
- Onderstreep de hoofdgedachte van de tekst of schrijf die in je eigen woorden op. De hoofdgedachte is één zin waarin duidelijk wordt wat het belangrijkste is wat je over het onderwerp van de tekst te weten bent gekomen.
Slide 6 - Slide
§3 - Onbekende woorden
Slide 7 - Slide
Maken
Cursus 1 - Meer dan lezen
§3 - Onbekende woorden
Klaar?
Maak de oefentoets
timer
32:00
Slide 8 - Slide
timer
5:00
Voor de bel ben je terug in de klas, anders ben je te laat.