12.5 De organen voor vertering

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 12.4 blz. 42 (huiswerkcontrole)
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen
1 / 23
next
Slide 1: Slide
BiologieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 23 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 12.4 blz. 42 (huiswerkcontrole)
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt omschrijven wat vertering is en de functie van verteringssappen en enzymen hierbij aangeven.
  • Je kunt beschrijven hoe de darmperistaltiek tot stand komt en de functies ervan benoemen.

Slide 2 - Slide

12.5 de organen voor vertering
Thema 12 voeding en vertering

Slide 3 - Slide

Leerdoelen 12.5
  • Je kunt de delen van het verteringsstelsel noemen met hun functies en kenmerken.
  • Je kunt de verteringssappen noemen met hun functies.

Slide 4 - Slide

Mondholte
  • Je tanden en kiezen in je mondholte zorgen voor de eerste stap in de vertering.
  • Door kauwen deel je het voedsel en kun je het beter doorslikken, ook vermeng je het met speeksel.
  • In en bij je mond liggen speekselklieren. Deze produceren speeksel.
  • Dit bestaat uit water en enzymen en zorgt ervoor dat je eten beter kan doorslikken.
  • Het enzym in speeksel verteert zetmeel.
  • Speeksel bevat ook stoffen die bacteriën doden. 

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Keelholte en slokdarm
  • Met je tong duw je het voedsel van uit je mondholte naar je keelholte.
  • Door de slikreflex sluit je huig de neusholte af en het strotklepje je luchtpijp, hierdoor kan het voedsel alleen de slokdarm in. 
  • Door de darmperistaltiek wordt het voedsel in je slokdarm naar je maag geduwd.
  • In de slokdarm komen geen verteringssappen bij het voedsel, er vindt dus geen vertering plaats.

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Maag
  • Door de kring- en lengte spieren in de maagwand is je maag constant in beweging. Voedsel wordt gekneed en vermengd met maagsap.
  • Dit wordt geproduceerd in de maagsapklieren in de wand van de maag.
  • Dit bestaat uit water, maagzuur en enzym. Het zuur zorgt voor het doden van bacteriën en het enzym verteert eiwitten gedeeltelijk.
  • Aan het einde van de maag zit de maagportier. Deze kringspier sluit de maag af en laat steeds kleine hoeveelheden door naar de twaalfvingerige darm.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Lever, galblaas, alvleesklier en twaalfvingerige darm
  • In je lever wordt gal geproduceerd, dit zorgt ervoor dat vet uit elkaar gaat. Dit heeft emulgeren. Gal verteert vetten niet, maar maakt ze alleen maar kleiner.
  • Gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas, wanneer dit nodig is wordt dit naar de twaalfvingerige darm vervoerd.
  • De alvleesklier produceert alvleessap. Dit bevat enzymen die eiwitten, koolhydraten en vetten verteerd. 
  • Via een afvoerbuis komt alvleessap in de twaalfvingerige darm terecht. Hier worden gal en alvleessap met de voedselbrij gemengd. 

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Dunne darm
  • Vanuit de twaalfvingerige darm komt de voedselbrij in de dunne darm terecht. Deze is ongeveer 6 meter lang en produceert darmsap.
  • Dit sap maakt de vertering van eiwitten en koolhydraten af. De verteringsproducten kunnen daarna in het bloed worden opgenomen.
  • Dit gaat via de darmplooien en darmvlokken. Hierdoor is de oppervlakte van de dunne darm groot.
  • Ook is de wand er dun en kunnen voedingstoffen en verteringsproducten snel in het bloed worden opgenomen. 

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

poortader
  • Het bloed met voedingsstoffen en verteringsproducten stroomt via de poortader naar de lever en vervolgens door je hele lichaam.
  • Op het moment dat je net hebt gegeten, zullen er meer voedingsstoffen in het bloed zitten.
  • In het verteringskanaal komen veel verteringsappen bij de voedselbrij.
  • Hierdoor bevat de voedselbrij veel water.
  • In de dunnen darm wordt het grootste deel van het water in het bloed opgenomen. 

Slide 17 - Slide

Blindedarm
  • De dunne darm gaat over in de dikke darm.
  • Vlak onder de plaats waar de dunne darm in de dikke darm uitmondt, ligt de blindedarm.
  • Aan de onderkant van de blindedarm zit een uitstulping: het wormvormig aanhangsel (appendix). 
  • Bij een blindedarmontsteking is deze ontstoken en moet dan operatief worden verwijderd. 

Slide 18 - Slide

Dikke darm
  • De dikke darm is ongeveer anderhalve meter lang.
  • Vanuit de dunne darm komt een waterige brij van onverteerde voedselresten in de dikke darm.
  • Dit water wordt in de dikke darm uit de brij gehaald. 
  • Als er in de dunne darm en in de dikke darm te weinig water in het bloed wordt opgenomen, blijft de voedselbrij waterig. Je hebt dan diarree.
  • In de dikke darm zitten bacteriën die cellulose kunnen verteren, ook zijn er bacteriën die vitamine K maken. 

Slide 19 - Slide

Endeldarm
  • Uiteindelijk blijven er ingedikte, onververteerde voedselresten over die in de endeldarm terechtkomen.
  • De dikke voedselbrij in de endeldarm noem je ontlasting.
  • De uitgang van de endeldarm wordt afgesloten door de anus. 
  • De Anus is een kringspier.
  • Als de endeldarm is gevuld met ontlasting, krijg je aandrang om te poepen.
  • Op het toilet ontspan je de kringspier en pers je de endeldarm leeg. 

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Aan het werk!
Maken opdrachten 12.5: 1, 2, 3, 5, 6 en 7
Klaar?
Laten checken bij docent, bij goedkeuring nakijken.
Klaar?  Werk laten zien aan docent.
Veel fout? -> Maken test jezelf 12.5
Veel goed? -> Maken Plusopdracht 8+

 

timer
25:00

Slide 22 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt de delen van het verteringsstelsel noemen met hun functies en kenmerken.
  • Je kunt de verteringssappen noemen met hun functies.

Slide 23 - Slide