Botten arm en hand, voet en been

Botten arm en hand

voet en been

en gewrichten

1 / 39
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolPraktijkonderwijsMBOmavoLeerjaar 1

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min
Report this lesson

Items in this lesson

Botten arm en hand

voet en been

en gewrichten

Benoem het groene deel

A

Vingerkootjes

B

Handwortelbeentjes

C

Middenhandsbeentjes

D

ellepijp

Dit is een ....

A

rolgewricht

B

draaigewricht

C

scharnier gewricht

D

zadelgewricht

Benoem het blauwe gedeelte

A

vingerkootjes

B

handwortelbeentjes

C

middenhandsbeentjes

D

spaakbeen

Waar heb je dit gewricht?

A

elleboog

B

knie

C

bovenarm

D

onderarm

Benoem het paarse gedeelte

A

Vingerkootjes

B

Handwortelbeentjes

C

Middenhandsbeentjes

D

draai gewricht

Wat betekent het opponeren van de duim?

A

duim tegenover de vingers kunnen plaatsen

B

rond draaien

C

je duim opsteken

D

opdrukken

Hoe noemen we het bot dat rood gekleurd is?

A

Dijbeen

B

Scheenbeen

C

Kuitbeen

D

Spaakbeen

welk gewricht zie je hier?

A

scharniergewricht

B

eigewricht

C

draai gewricht

D

rolgewricht

Bij welke verbinging is het meeste beweging mogelijk

A

1

B

2

C

allemaal

D

3

Het scheenbeen is dunner dan het kuitbeen..

A

juist

B

onjuist

Hoe heet het blauwe bot

A

Spaakbeen

B

Opperarmbeen

C

Kuitbeen

D

Ellepijp

Welk nummer geeft de voetwortelbeentjes aan?

A

nummer 1

B

nummer 3

C

nummer 2

D

nummer 1 en 2

Hoe noemen we het bot dat roze gekleurd is?

A

Scheenbeen

B

Bovenbeen

C

Kuitbeen

D

Knieschijf

Het enkelgewricht is een....

A

rolgewricht

B

draaigewricht

C

scharniergewricht

D

eigewricht

Aan de voetzoolzijde gelegen is...

A

Palmair

B

Dorsaal

C

Plantair

D

Mediaal

Van de romp af gelegen is...

A

Centraal

B

Distaal

C

Lateraal

D

Dorsaal

De triceps .........

A

heeft 1 hoofd

B

heeft 3 hoofden

C

heeft 2 hoofden

D

heeft 4 hoofden

De 2 hoofdige armspier (biceps) (meer antw)

A

buigt de elleboog

B

strekt de arm

C

draait de arm en pols naar buiten

D

heft de arm voorwaarts

De triceps (meer antw)

A

strekt de elleboog

B

beweegt de arm naar het lichaam toe

C

beweegt de arm naar achteren

D

beweegt de arm naar buiten

de vierhoofdige dijbeenspier heet..

A

musculus tensor fasciae latae

B

musculus sartorius

C

musculus quadriceps femoris

D

musculus tibialis anterior

De voorste scheenbeenspier, de musculus tibialis anterior

A

buigt de knie naar achteren

B

zorgt voor het neerkomen van de voet

C

draait de voet naar buiten

D

buigt het kniegewricht

Abductie =

A

draait naar binnen

B

af voeren

C

draait naar buiten

D

aan voeren

De 2 hoofdige kuitspier, de musculus gastrocnemius (meer antw)

A

buigt de voet naar de voetzool toe

B

buigt de knie naar achteren

C

draait het kniegewricht naar binnen

D

draait de voet naar buiten

Endorotatie =

A

strekken

B

Buigen

C

draait naar binnen

D

naar buiten

De grote bilspier (musculus gluteus maximus)(meer antw)

A

strekt het dijbeen naar achteren(extensie)

B

draait het bovenbeen naar buiten(exorotatie)

C

draait de voet naar buiten(exorotatie)

D

draait het heupgewricht naar binnen (endorotatie)

Exorotatie =

A

strekken

B

Buigen

C

draait naar binnen

D

draait naar buiten

De halfvliesachtige spier

A

buigt het kniegewricht(flexie)

B

draait heupgewricht naar buiten

C

draait de voet naar buiten (exoratie)

D

draait het heupgewricht naar binnen (endorotatie)

........ vormt de aanhechting onderbeen van de tweehoofdige kuitspier (plantair )

A

de knie

B

de achillespees

C

de heup

D

de teen

De Nagel

Wat is de functie van de nagel:

A

Bescherming

B

Tastzin

C

Warmte verdeling

D

zuurstof transport

A

B

C

D

E

G

F

A is ......

A

nagelplooi

B

nagelriem

C

nagelwal

D

nagelbed

A

B

C

D

E

G

F

B is ......

A

nagelplooi

B

nagelriem

C

nagelwal

D

nagelbed

A

B

C

D

E

G

F

C is ......

A

nagelplooi

B

nagelriem

C

nagelwal

D

nagelbed

A

B

C

D

E

G

F

F is ......

A

nagelwortel

B

nagelmatrix

C

nagelplaat

D

nagelbed

Waar wordt de nagelgroei geboren?

A

nagelwortel

B

nagelmatrix

C

nagelplaat

D

nagelbed

A

B

C

D

E

G

F

G is ......

A

nagelwortel

B

nagelriem

C

nagelplaat

D

nagelbed

A

B

C

D

E

G

F

H is ......

H

A

nagelwortel

B

nagelriem

C

nagelplaat

D

nagel matrix