Herhaling unité 3

Les verbes                           
en        -er

 
1 / 35
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Les verbes                           
en        -er

 

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Réponds en français

1. Et toi, tu as pris les résolutions citées sur les post-its ? raconte.....
2. Tu as  pris d’autres résolutions pour 2024? 
3. Si oui, lesquelles, et comment tu vas les tenir ? Si non, pourquoi pas ?
4. Y a-t-il une résolution que tu ne prendras jamais ? Pourquoi pas ?



Slide 3 - Slide

Herhaling Unité 3
C

Slide 4 - Slide

Le programme
  • Quizvragen: le verbe 'mettre', l'adjectif (bijv. nw.), le pluriel - 10'
  •    
  • Zelfstandig werken: Maak ex. 16 E in het boek                                                                         -5'

Slide 5 - Slide

Kennistoets
Datum: 10 feb. 2025
Leerstof: app. 1, t/m 10 + werkwoorden op -er en prendre. behalve 7.

Slide 6 - Slide

Lesdoel
Ik kan de leerstof van unité 3 leren voor de kennistoets

Slide 7 - Slide

Voorkennis (quizvragen)
  •  Log in met de code via Lessonup.com (zie afbeelding).
  • Je eigen voornaam invullen.
  • Bonne chance!

Slide 8 - Slide

Prendre
Prendre is een onregelmatig werkwoord en dit betekent dat je hem uit je hoofd moet leren.
le but: ik kan het werkoord prendre vervoegen in de présent en de passé composé . 

Slide 9 - Slide

PRENDRE (nemen) au présent
je prends
ik neem
tu prends
je neemt
il/elle prend
hij/zij neemt
on prend
wij nemen / men neemt
nous prenons
wij nemen
vous prenez
jullie nemen / u neemt
ils /elles prennent
zij nemen

Slide 10 - Slide

PRENDRE (nemen) au passé composé
j'ai pris
ik heb genomen
tu as pris
je hebt genomen
il/elle a pris
hij/zij heeft genomen
on a pris
wij hebben genomen / men heft genomen
nous avons pris
wij hebben genomen
vous avez pris
jullie hebben genomen u heeft genomen
ils /elles ont pris
zij hebben genomen

Slide 11 - Slide

le présent, verbes en -er
Je haalt de letters -er van het werkwoord af en houdt de stam van het werkwoord over.
                     b.v.  discuter
                              discut
Passé composé
Je haalt -er van het werkwoord af, en vervangt het door -é.
b.v. J'ai discuté
le présent, verbes en -er
Achter de stam schrijf je de juiste vervoeging. Het rijtje:
je discute
tu discutes
il/elle/on discute
nous discutons
vous discutez
ils discutent

Slide 12 - Slide

Les verbes
-re

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Verbuga.eu
  • Oefen de werkwoorden via: www.verbuga.eu
  • Tijden: 
    présent & passé composé
  • Onregelmatige:
    prendre
  • Regelmatige:
    tomber, arriver, parler, aimer, 
    perdre, vendre, répondre
timer
4:30

Slide 15 - Slide

Je
Ils/elles
Vous
Nous
Il/elle/on
Tu
Verbes en        -er                         -re
Wat zijn de uitgangen in de présent?
-e
-ent
-ons
-s
-s
-ons
-es
-
-ez
-ent
-ez
-e

Slide 16 - Drag question

Grammaire I: "mettre"
 (leggen, zetten, aantrekken).
Je mets
Ik leg/ zet...
Tu mets
Jij legt/ zet...
Il/ elle/ on met
Hij/zij/men legt/ zet...
Nous mettons
Wij leggen/ zetten...
Vous mettez
Jullie leggen/ zetten...
U legt/ zet
Ils/ elles mettent
Zij leggen/zetten

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Link

Het werkwoord 'Mettre' heeft verschillende betekenissen.
Kies de juiste betekenissen
A
Leggen, zetten, aandoen, liggen
B
Leggen, zetten, doen, aantrekken
C
Aandoen, liggen, zetten, aantrekken
D
Leggen, zetten, trekken, aandoen

Slide 19 - Quiz

Vul de juiste vorm van mettre in.
Les enfants ........ la tarte dans le four.
A
Mettre
B
Mettez
C
Mettent
D
Mets

Slide 20 - Quiz

Vul de juiste vorm van mettre in.
Je/ J' ......le beurre dans le frigo (P.C).
A
as mis
B
ai mis
C
a mis
D
mis

Slide 21 - Quiz

Vul de juiste vertaling in.
... le piano dans le salon. (men zet)

Slide 22 - Open question

Vul de juiste vertaling in.
... ta petite robe noire. (je trekt aan)

Slide 23 - Open question

Bijvoeglijk naamwoord: wat is juist?
A
Le lit est grand.
B
Le lit est grande.

Slide 24 - Quiz

Wat is de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord?
A
Monique est très sportive
B
Monique est très sportifs
C
Monique est très sportif
D
Monique est très sportives

Slide 25 - Quiz

Noteer de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes. une dame (vieux)

Slide 26 - Open question

Noteer de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes. des pommes (vert)

Slide 27 - Open question

Noteer de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes. des jeans (beau)

Slide 28 - Open question

Noteer de hele zin in het meervoud.
Le drapeau est rouge

Slide 29 - Open question

Noteer de hele zin in het meervoud.
Le cheval est grand

Slide 30 - Open question

Diagnostische toets 1 online 

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Link

Zelfstandig werken
Maak opdracht 16 E in het boek

timer
5:00

Slide 33 - Slide

Devoirs
Het opnemen van de vlog 
+
BOEK B Meenemen

Slide 34 - Slide

Merci et Bien travaillé
www.exitticket.nl/ticket/4rkcg9

Slide 35 - Slide