Thema 5 Regeling

Wat weet je nog van het zenuwstelsel?
1 / 37
next
Slide 1: Mind map
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Wat weet je nog van het zenuwstelsel?

Slide 1 - Mind map

Thema 5 Regeling
Thema 5 Regeling
Zenuw-> Meerdere zenuwcellen die impulsen door je lichaam sturen
Zenuwstelsel-> Alle zenuwen in je lichaam
Centrale zenuwstelsel-> Hersenen en ruggenmerg
Prikkel-> Invloed uit omgeving van organisme
Impuls-> Elektrische signalen die door het zenuwstelsel gaan

Slide 2 - Slide

Zenuwcellen
Zenuwstelsel bestaat uit miljarden zenuwcellen.
Ze hebben altijd deze 2 onderdelen

Cellichaam-> Bevat de celkern (regelcentrum)

Uitloper-> Verbindt zenuwcellen met elkaar,
van zintuigen tot ruggenmerg en andersom.
Je hebt lange en korte uitlopers!

Zenuw is een soort elektrische kabel!
- Dikke kabel met zenuwcellen er in.

Slide 3 - Slide

Verschillende zenuwcellen
Gevoelszenuwcellen
-> Van zintuig naar centrale zenuwstelsel
-> Uitlopers aan beide kanten
-> Cellichaam in het midden
-> Lange uitloper

Bewegingszenuwcellen
-> Van centrale zenuwstelsel naar spieren of klieren
-> 1 lange uitloper
-> Cellichaam in centrale zenuwstelsel

Schakelcel
-> Liggen in het geheel in centrale zenuwstelsel
-> Uitlopers zijn kort
-> Verbinden gevoelscellen en bewegingscellen

Slide 4 - Slide

Welke zenuwcel is nu welke?
Bewegins-
zenuwcel
Schakelcel
Gevoels-
zenuwcel

Slide 5 - Drag question

Ruggenmerg
-> Ligt in de wervelkolom
-> Bestaat uit grijze en witte stof




Grijze stof-> Cellichamen van zenuwcellen
Witte stof-> Uitlopers van zenuwcellen
Zenuwknoop
-> Cellichamen gevoelszenuwcellen
-> Aan de de rugzijde!
-> Kan oorzaak zijn van 'last van je rug'

Slide 6 - Slide

Met welk nummer is de grijze stof in het ruggenmerg weergegeven?
A
6
B
7
C
8
D
9

Slide 7 - Quiz

Rughernia
Kraakbeen uit tussenwervelschijven drukt tegen zenuw aan
-> Heel veel pijn!
Uitzaaiingen-> 'Verstoorde' impulsen door ruggenmerg, je lichaam denkt dat er veel pijn is
Eerst fysiotherapie, daarna operatie

Slide 8 - Slide


Dit is een ...
A
Bewegingszenuwcel
B
Gevoelszenuwcel
C
Schakelcel
D
Zenuw

Slide 9 - Quiz

Je bent aan het schrijven en ziet dat je ben lekt. Je pakt een nieuwe pen uit je etui. Zet de onderdelen van het zenuwstelsel die bij deze handeling betrokken zijn in de juiste volgorde:
Schakelcel 1 - Grote hersenen - gevoelszenuw - bewegingszenuw - schakelcel 2

Slide 10 - Open question

Grote hersenen
- Verschillende hersenfuncties
- Zintuigen hebben verschillende plekken
- Verwerken van zintuigen
- Emoties en karakter

Kleine hersenen
- Regelt coördinatie van 
verschillende hersenfuncties
- Bijvoorbeeld zien en bewegen tegelijk

Hersenstam
- Bovenste stuk ruggenmerg
- Impulsen uit gezicht (ogen, oren bijvoorbeeld) komen hier binnen
- Regelen alle functies waar je geen controle over hebt.
- Ademen, verteringsstelsel, hartslag

Slide 11 - Slide

Hoe heet onderdeel 1?
A
Grote hersenen
B
Kleine hersenen
C
Hersenstam

Slide 12 - Quiz

Welk deel van de hersenen zorgt voor het coördineren van bewegingen?
A
Kleine hersenen
B
Grote hersenen
C
hersenstam
D
hypofyse

Slide 13 - Quiz

Reflex
- Onbewuste reactie
- Snel

Bewuste reactie
- Gaat via hersenen

Reflexboog
- Weg die impulsen 
afleggen voor een reflex

Slide 14 - Slide

Je krijgt stof in je oog en begint te knipperen met je oogleden
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 15 - Quiz

Iemand roept je naam op het schoolplein en je roept vervolgens zijn naam.
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 16 - Quiz

Je stoot je grote teen tegen je bed. Je trekt je been naar achter.
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 17 - Quiz

In het donker kijk je ineens in de felle koplampen van een auto. Je pupillen worden kleiner.
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 18 - Quiz

Je loopt op straat en hoort een harde knal. Je haalt je hoofd tussen je schouders.
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 19 - Quiz

Je stoot je teen tegen je bed en begint te vloeken.
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 20 - Quiz

Je bent al jaren voetbalkeeper. Tijdens een wedstrijd wordt er een harde bal geschoten en je duikt naar de hoek.
A
Reflex
B
Bewuste reactie

Slide 21 - Quiz

Slide 22 - Slide

Hormonen
-> Stofjes die bepaalde organen 
aansturen(soort aan/uit knopjes)

Hormoonklieren
-> Geven hormonen af aan het bloed


Gewone klier-> Produceert stoffen 
die niet in het bloed komen
Zweetklieren, speekselklieren, 
maagsapklieren enz.

Slide 23 - Slide

- Speekselklier
- Maagsapklier
- Zweetklier
En nog veel meer!
- Adrenalineklier
- Testosteronklier
- Oestrogeenklier
En nog veel meer!

Slide 24 - Slide

Waarom werkt een hormoon alleen op één orgaan terwijl het overal in het bloed is?
A
Alleen bepaalde organen zijn gevoelig voor het hormoon.
B
Omdat hormonen meestal niet ver van de hormoonklier werken.
C
Omdat hormonen niet bij alle organen kunnen komen.

Slide 25 - Quiz

Nr. 2 (bij de keel)
Hormoonklier

A
hypofyse
B
eierstok
C
bijnier
D
schildklier

Slide 26 - Quiz

Welke klier kan een hormoonklier zijn?
A
klier 1
B
klier 2
C
geen van beiden
D
allebei

Slide 27 - Quiz

Hormonen

Hypofyse
-> Kleine knop in je hersenen
-> Stuurt hele hormoonstelsel aan, 
daardoor gaan meerdere hormoonklieren 
hormonen maken

Schildklier
-> Ligt in je hals, op je strottenhoofd
-> Schildklierhormoon
-> Regelt stofwisseling (hoe snel verteer je eten) en groei en ontwikkeling
Wat gebeurt er bij een schildklieraandoening?


Slide 28 - Slide

Schildklierhormoon zorgt voor de werking van je verteringsstelsel. Wat zou er kunnen gebeuren
wanneer je lichaam te veel
schildklierhormoon maakt?

Slide 29 - Open question

Bijnieren
-> Produceren adrenaline
-> Vecht of vlucht hormoon
-> 'Superkrachten'

Eilandjes van Langerhans
-> Liggen op de alvleesklier
-> Produceren insuline en glucagon
-> Regelen gluosegehalte in het bloed

Slide 30 - Slide

Welke hormonen horen bij welke hormoon klier?
Groeihormoon
Schildklierhormoon
Adrenaline
Insuline
Glucagon
Testosteron
Oestrogeen

Slide 31 - Drag question

Op de alvleesklier liggen hormoonklieren
-> Eilandjes van Langerhans
-> Deze produceren hormonen die je 
glucosegehalte regelen

Glucosegehalte = Bloedsuikerspiegel
-> Hoeveelheid suiker in je bloed 
-> Moet altijd in belans zijn!
-> Wordt geregeld door de hormonen 
insuline en glucagon

Dit proces herhaalt zich constant!

Slide 32 - Slide

Welke invloed heeft insuline op het glucosegehalte van het bloed?
A
door insuline daalt het glucosegehalte in het bloed
B
door insuline stijgt het glucosegehalte in het bloed

Slide 33 - Quiz

Welk hormoon veroorzaakt de verandering van glucosegehalte tussen t1 en t2?
A
Insuline
B
Glucagon
C
Glycogeen
D
Adrenaline

Slide 34 - Quiz

Wanneer je veel sport, vindt er veel verbranding plaats in je lichaam. Je glucosegehalte kan dan te laag worden. Wat produceren de Eilandjes van Langerhans op zo'n moment om het glucosegehalte weer op peil te krijgen?
A
Glucagon
B
Glycogeen
C
Insuline
D
Glucose

Slide 35 - Quiz

Bij mensen met suikerziekte maken de eilandjes van Langerhans ...... insuline
A
te veel
B
te weinig

Slide 36 - Quiz

Welk hormoon kan zijn werk niet goed doen bij iemand met suikerziekte?
A
glycogeen
B
insuline
C
glucagon
D
adrenaline

Slide 37 - Quiz