TisTaal | les 02 | VO2 | deel 3 | taalverzorging | trappen van vergelijking

Nieuw logo
Les 2 deel 3
 Taalverzorging
1 / 20
next
Slide 1: Slide
NederlandsTaalverzorging+1Middelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Nieuw logo
Les 2 deel 3
 Taalverzorging

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

• Ik herken de vergrotende en overtreffende trap.
• Ik gebruik de juiste vorm in een zin.
• Ik verbeter fouten in vergelijkingen.
• Ik gebruik vergelijkingen in mijn eigen tekst.

Slide 2 - Slide

Laat één leerling de doelen voorlezen.
Vraag: wat betekent vergelijken?

Differentiatie
Route A: Leg kort uit: vergelijken = twee dingen naast elkaar zetten.
Route B: Leerlingen geven een voorbeeld.
Route C: Vraag waarom vergelijken nuttig is in een tekst.

1 Nederland is klein dan België.
2 Nederland is kleiner dan België.
3 Nederland is kleinst dan België.

Stem en leg uit.

Welke zin klopt?

Slide 3 - Slide

Doel: voorkennis activeren.
Niet meteen uitleggen.
Laat leerlingen redeneren.

Differentiatie
Route A: Bespreek samen waarom “dan” nodig is.
Route B: Leerlingen leggen zelfstandig uit.
Route C: Laat ze een tweede correcte vergelijking maken.

Wat is een vergelijking?
Vergelijken betekent:

Je zegt dat iets meer, minder of het meest is.

Voorbeeld
groot – groter – grootst
fijn – fijner – fijnst

Wat valt je op?

Slide 4 - Slide

Stuur naar inzicht:
• -er bij vergrotende trap
• -st bij overtreffende trap
• vaak met “dan”

Differentiatie
Route A: Samen één woord uitwerken.
Route B: Leerlingen noemen meerdere voorbeelden.
Route C: Laat uitzonderingen bedenken.

Er zijn drie vormen:
stellende trap
overtreffende trap
vergrotende trap
groot
groter
grootst
Nederland is groot.
Duitsland is groter dan Nederland.
China is het grootst.

Slide 5 - Slide

Benadruk de termen expliciet:
stellende trap
vergrotende trap
overtreffende trap

Laat leerlingen de drie begrippen hardop herhalen.
Schrijf op het bord:
stellende → vergrotende → overtreffende

Vraag:
Wanneer gebruik je dan?
Wanneer gebruik je het?

Differentiatie
Route A
Werk samen één woord volledig uit.
Route B
Leerlingen maken zelf een rijtje met drie woorden.
Route C
Laat leerlingen uitleggen waarom je bij de overtreffende trap vaak het gebruikt.
Uitzonderingen.
Sommige woorden veranderen anders:
stellende trap
overtreffende trap
vergrotende trap
goed

veel

weinig

graag
beter

meer

minder

liever
best

meest

minst

liefst
Eindigt een bijvoeglijk naamwoord op r?

Dan voeg je in de vergrotende trap -der toe.

zwaar → zwaarder → het zwaarst
duur → duurder → het duurst

Slide 6 - Slide

Benadruk: dit moet je onthouden.
Differentiatie
Route A: Samen hardop herhalen.
Route B: Leerlingen maken een voorbeeldzin.
Route C: Laat leerlingen uitleggen waarom “goedder” niet kan. (het is een onregelmatige trap van vergelijking).

als of dan?
Gebruik dan bij verschillen:

Ik ben ouder dan mijn zus.
Nederland is kleiner dan Duitsland.

Gebruik even of net zo … als bij overeenkomsten:

Hij is even groot als ik.
Dit land is net zo duur als dat land.

Slide 7 - Slide

Benadruk:

• dan = verschil
• even of net zo … als = gelijkheid
• als ik is formeel correct

Differentiatie

Route A
Laat leerlingen verschil en overeenkomst aanwijzen.
Route B
Leerlingen maken zelf twee voorbeeldzinnen.
Route C
Laat leerlingen één zin maken met dan en één zin met even of net zo … als.

Vul de juiste vorm in:
(klein) Nederland is ___ dan België. 

Slide 8 - Open question

Correcte antwoord: kleiner.

Laat leerlingen altijd uitleggen waarom.
Differentiatie
Route A: Samen eerste zin doen.
Route B: Zelfstandig invullen.
Route C: Laat leerlingen een aanvullende zin maken met nog een vergelijking.


Vul de juiste vorm in:
(druk) Dit is de ___ haven van Europa.

Slide 9 - Open question

Correcte antwoord: drukste.

Laat leerlingen altijd uitleggen waarom.
Differentiatie
Route A: Samen eerste zin doen.
Route B: Zelfstandig invullen.
Route C: Laat leerlingen een aanvullende zin maken met nog een vergelijking.


Vul de juiste vorm in:
(slecht) Vandaag is het ___ weer dan gisteren. 

Slide 10 - Open question

Correcte antwoord: slechter.

Laat leerlingen altijd uitleggen waarom.
Differentiatie
Route A: Samen eerste zin doen.
Route B: Zelfstandig invullen.
Route C: Laat leerlingen een aanvullende zin maken met nog een vergelijking.


Vul de juiste vorm in:
(groot) Rotterdam is de ___ haven van Europa. 

Slide 11 - Open question

Correcte antwoord: grootste.

Laat leerlingen altijd uitleggen waarom.
Differentiatie
Route A: Samen eerste zin doen.
Route B: Zelfstandig invullen.
Route C: Laat leerlingen een aanvullende zin maken met nog een vergelijking.


Vul de juiste vorm in:
(groot) Rotterdam is de ___ haven van Europa. 

Slide 12 - Open question

Correcte antwoord: grootste.

Laat leerlingen altijd uitleggen waarom.
Differentiatie
Route A: Samen eerste zin doen.
Route B: Zelfstandig invullen.
Route C: Laat leerlingen een aanvullende zin maken met nog een vergelijking.


Vul de juiste vorm in:
(goed) Dit idee is ___ dan dat idee. 

Slide 13 - Open question

Correcte antwoord: beter.

Laat leerlingen altijd uitleggen waarom.
Differentiatie
Route A: Samen eerste zin doen.
Route B: Zelfstandig invullen.
Route C: Laat leerlingen een aanvullende zin maken met nog een vergelijking.


Verbeter de fout:
Nederland is meer klein als Duitsland.
Schrijf de zin goed op.

Slide 14 - Open question

Correcte antwoord: Nederland is kleiner dan Duitsland.

Doel: taalbewustzijn.
Differentiatie
Route A: Samen analyseren.
Route B: Tweetallen.
Route C: Laat leerlingen zelf een foute zin bedenken.


Verbeter de fout:
Dit is het meest drukke vliegveld.
Schrijf de zin goed op.

Slide 15 - Open question

Correcte antwoord: dit is het drukste vliegveld.

Doel: taalbewustzijn.
Differentiatie
Route A: Samen analyseren.
Route B: Tweetallen.
Route C: Laat leerlingen zelf een foute zin bedenken.


Verbeter de fout:
Dat land is goed als mijn land.
Schrijf de zin goed op.

Slide 16 - Open question

Correcte antwoord: dat land is beter dan mijn land.

Doel: taalbewustzijn.
Differentiatie
Route A: Samen analyseren.
Route B: Tweetallen.
Route C: Laat leerlingen zelf een foute zin bedenken.


Vergelijk twee landen.
Gebruik:
• één vergrotende trap
• één overtreffende trap
Schrijf 3 tot 4 zinnen.

Slide 17 - Open question

Voorbeeldstart:
Nederland is kleiner dan …
Maar … is het drukst …

Differentiatie
Route A: Geef zinsstarters.
Route B: Zelfstandig schrijven.
Route C: Laat ook een uitzondering gebruiken zoals beter of meer.


Kies één zin uit jouw e-mail van deel 2.
Maak hem sterker met een vergelijking.
Voorbeeld:
Nederland is belangrijk.
→ Nederland is belangrijker dan veel andere landen.

Slide 18 - Open question

Doel: koppeling naar schrijfvaardigheid.

Differentiatie
Route A: Samen herschrijven.
Route B: Zelfstandig.
Route C: Laat uitleggen waarom de nieuwe zin sterker is.


1 Wanneer gebruik je -er?
2 Wanneer gebruik je -st?
3 Welke woorden moet je uit je hoofd leren?

Slide 19 - Open question

Laat twee leerlingen antwoorden delen.
Benadruk:
Vergelijkingen maken een tekst duidelijker en preciezer.

1. Je gebruikt -er bij de vergrotende trap.
Dat doe je wanneer je twee dingen met elkaar vergelijkt.
2. Je gebruikt -st bij de overtreffende trap. Dat doe je wanneer iets het meest of het minst is.
3. Sommige woorden zijn onregelmatig.
Die volgen niet de gewone regel.
goed – beter – best
veel – meer – meest
weinig – minder – minst
graag – liever – liefst

Differentiatie
Route A: Help met voorbeeld.
Route B: Zelfstandig reflecteren.
Route C: Laat leerlingen één doel formuleren voor volgende keer.

Deze les is gemaakt door TisTaal by Dutchily. Op de vermelde bronnen na, alle rechten voorbehouden aan team Dutchily.




Slide 20 - Slide

Bezoek onze website: