Lesson Ten

Lesson starts at 09:55
1 / 54
next
Slide 1: Slide
SebMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 54 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Lesson starts at 09:55

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide



  • Taking the register (roll call)
  • What do you need?
  • Time for answers
  • Grammar Recap



  • Let's get down to work (exercises)
  • Homework

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

iPad      workbook      binder          pen         airpods
                       A                              and pencil

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Time for answers
Exercise:
- (17), 35 page 100-111, Workbook A
- Extra exercise

Slide 8 - Slide

Exercise 17 (page 100)
  1. that / dat
  2. that / die
  3. this / dit
  4. these / deze
  5. those / die
  6. this / deze
  7. these / deze
  8. those / die
  9. that / die
  10. these / deze

Slide 9 - Slide

Exercise 35 (page 111)
  1. football cap
  2. spots
  3. Styleright 
  4. £14.50
  5. tall
  6. white
  7. are
  8. good-looking

Slide 10 - Slide

Extra Exercise
  • Own answers

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

to be

Slide 13 - Slide

to be
Bevestigend (+)
Ontkennend(-)
Vragend (?)
I am ('m)
I am not
Am I?
You are ('re)
You are not (aren't)
Are you?
He / She / It is ('s)
He / She / It is not (isn't)
Is he / she /it?
We are ('re)
We are not (aren't)
Are we?
You are ('re)
You are not (aren't)
Are you?
They are ('re)
They are not (aren't)
Are they?

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

present
continuous

Slide 16 - Slide

present continuous
  • De present continuous is een vorm van de tegenwoordige tijd.
  • Je gebruikt de present simple bij gebeurtenissen die nu bezig of                        nu aan de gang zijn

Slide 17 - Slide

present continuous
  • Je maakt de present simple met:                                       to be (am / are / is) + hele werkwoord + ing

  • I am doing my homework right now.
  • You are making a mess.
  • Mike is talking to his neighbour.

Slide 18 - Slide

present continuous
 Vorm: to be + hele werkwoord + ing
Bevestigend (+)
Ontkennend(-)
Vragend (?)
I am ('m) working
I am not working
Am I working?
You are ('re) working
You are not (aren't) working
Are you working?
He / She / It is ('s) working
He / She / It is not (isn't) working
Is he / she /it working?
We are ('re) working
We are not (aren't) working
Are we working?
You are ('re) working
You are not (aren't) working
Are you working?
They are ('re) working
They are not (aren't) working
Are they working?

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

much
and
many

Slide 21 - Slide

Much and many
Much en many betekenen allebij 'veel'.

Welke je gebruikt heeft te maken met of je het  wel of niet kunt tellen ervan.

Slide 22 - Slide

Much
Much gebruik je als je veel van iets hebt, maar ...
  • ... je kunt het niet (precies) tellen 
  • ... je kunt er geen getal voor zetten
  • ... je kunt er geen meervoud van maken

  • Denk hierbij aan:
  • - vloeistoffen
  • - gassen
  • - poedertjes
  • - begrippen

Slide 23 - Slide

Many
Many gebruik je als je veel van iets hebt en ...
  • ... je kunt het wel (precies) tellen 
  • ... je kunt er wel een getal voor zetten
  • ... je kunt er wel meervoud van maken



Slide 24 - Slide

alphabet

Slide 25 - Slide

Extra uitleg
Had je 3 of meer fouten bij de sleep oefening, kijk dan eens naar de extra uitleg op de volgende dia.

      

Slide 26 - Slide

New grammar: alphabet
Klik op de letter voor de Engelse uitspraak:

A     B     C     D     E     F     G     H     I     J

K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T

U     V     W     X     Y     Z

Slide 27 - Slide

New grammar: alphabet
Verwarrende letters:

Nederlands
Engelse uitspraak
A
EE
E
IE
I
AAI
H
EETSJ
W
DABBEL JUU
Y
WAAI

Slide 28 - Slide


Was de uitleg duidelijk?
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll



   De opdrachten staan klaar in de                LessonUp app

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

much
and
many

Slide 32 - Slide

Much and many
Much en many betekenen allebij 'veel'.

Welke je gebruikt heeft te maken met of je het  wel of niet kunt tellen ervan.

Slide 33 - Slide

Much
Much gebruik je als je veel van iets hebt, maar ...
  • ... je kunt het niet (precies) tellen 
  • ... je kunt er geen getal voor zetten
  • ... je kunt er geen meervoud van maken

  • Denk hierbij aan:
  • - vloeistoffen
  • - gassen
  • - poedertjes
  • - begrippen

Slide 34 - Slide

Many
Many gebruik je als je veel van iets hebt en ...
  • ... je kunt het wel (precies) tellen 
  • ... je kunt er wel een getal voor zetten
  • ... je kunt er wel meervoud van maken



Slide 35 - Slide

MUCH
MANY
trainers
boots
salt
people
time
advice
children
water
sheep
money
cheese
homework

Slide 36 - Drag question

Extra uitleg
Had je 3 of meer fouten bij de sleep oefening, kijk dan eens naar de extra uitleg op de volgende dia.

      

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Video

Lesson 4: Speaking

Do: Exercise 37, page 113, Workbook A

      

Slide 39 - Slide

Take a picture of your answers and upload it here.

Slide 40 - Open question

alphabet

Slide 41 - Slide

New grammar: alphabet
Let op: 
De uitspraak van het Engelse alfabet is anders dan de uitspraak van het Nederlandse alfabet.

Sommige letters zijn daardoor verwarrend!

Slide 42 - Slide

New grammar: alphabet
Klik op de letter voor de Engelse uitspraak:

A     B     C     D     E     F     G     H     I     J

K     L     M     N     O     P     Q     R     S     T

U     V     W     X     Y     Z

Slide 43 - Slide

New grammar: alphabet
Verwarrende letters:

Nederlands
Engelse uitspraak
A
EE
E
IE
I
AAI
H
EETSJ
W
DABBEL JUU
Y
WAAI

Slide 44 - Slide

Write down the word you hear and translate to Dutch:
Example: earring - oorbel

Slide 45 - Open question

Write down the word you hear and translate to Dutch:
Example: earring - oorbel

Slide 46 - Open question

Write down the word you hear and translate to Dutch:
Example: earring - oorbel

Slide 47 - Open question

Write down the word you hear and translate to Dutch:
Example: earring - oorbel

Slide 48 - Open question

Write down the word you hear and translate to Dutch:
Example: earring - oorbel

Slide 49 - Open question

Lesson 4: Speaking
Read: Phrases Speaking, page 171, Workbook A

Do: Exercise 39, page 113, Workbook A

      

Slide 50 - Slide

Who is matthew?
Hi Jason. What are you up to?
Do you like this sporty sweater?
Could you spell that for me, please?
What do you think of stripes?
What are you two doing?
I'm looking for a football cap for my sister.
I think I prefer spots.
We're trying on some clothes.
He's that tall guy in my class with black hair.
Yes  it's E-T-H-A-N.
No thanks! Way too many spots for me.

Slide 51 - Drag question


- Steek je hand op in Teams

- Noteer het huiswerk

- Wacht in de chat tot de docent reageert


      

Slide 52 - Slide

Study: 
  - Vocabulary 3.1+3.2, page 168, Workbook A
  - Vocabulary 3.3+3.4, page 169, Workbook A  
  - Phrases Writing, page 170, Workbook A
  - Phrases Writing, page 171, Workbook A
  - Grammar:
     - to be
     - present continuous
     - aanwijzende voornaamwoorden
     - bezittelijke voornaamwoorden
     - much and many
     - alphabet

Slide 53 - Slide

Thanks for your attention

Slide 54 - Slide