Ontleden - meewerkend voorwerp

Welkom
2.3 Meewerkend voorwerp
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Welkom
2.3 Meewerkend voorwerp

Slide 1 - Slide

Lesprogramma
  • Herhaling ontleden
  • Uitleg meewerkend voorwerp.

Slide 2 - Slide

Leerdoelen
Aan het eind van deze les...


  • weet je wat het meewerkend voorwerp is.
     
  • kun je het meewerkend voorwerp in een gegeven zin vinden.

  • kun je een zin ontleden volgens een stappenplan.

  • kun je een zin in zinsdelen verdelen en de zinsdelen onderwerp + persoonsvorm + werkwoordelijk gezegde + lijdend voorwerp + meewerkend voorwerp benoemen.

Slide 3 - Slide

Jan gaf de toets aan de leraar.

Wat is 'Jan'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 4 - Quiz

Jan gaf de toets aan de leraar.

Wat is 'de toets'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 5 - Quiz

Ontleed de volgende zin (PV, OW, WWGZ, LV, zinsdeelstrepen).

Dagmar heeft de regenjas aan de kapstok gehangen.

Slide 6 - Open question

Herhaling

  • Persoonsvorm = belangrijkste werkwoord (vraagproef, getalsproef, tijdsproef)
  • Zinsdelen: verplaatsingsproef (welk woord of welke woordgroep kan voor de pv.
  • Werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden uit de zin.
  • Onderwerp = wie/wat + gezegde?
  • Lijdend voorwerp = wat/wie + gezegde + onderwerp?

Slide 7 - Slide

Meewerkend voorwerp
  • In zinnen met een lijdend voorwerp kan ook een meewerkend voorwerp staan. 

  • Het meewerkend voorwerp geeft aan voor / aan wie iets bestemd is. 
    Aan (voor) wie/wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp

  • Check daarna of je aan (voor) kunt weglaten of toevoegen (soms moet je hiervoor de woordvolgorde aanpassen)




Slide 8 - Slide

Zo vind je het meewerkend voorwerp

1. Zoek eerst de persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en het lijdend voorwerp.

2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 9 - Slide

Is het zinsdeel tussen haken een meewerkend voorwerp?

Hij laat al zijn geld na [aan goede doelen].
A
Wel een meewerkend voorwerp
B
Geen meewerkend voorwerp

Slide 10 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp?

Sophie doet jou de groeten
A
Geen meewerkend voorwerp
B
jou
C
Sophie
D
de groeten

Slide 11 - Quiz

Wie heeft mijn scooter gerepareerd?

mijn scooter =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 12 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Mag ik u een kopje koffie aanbieden?

Slide 13 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Het verlegen jongetje gaf ik een schouderklopje.

Slide 14 - Open question

Het meewerkend voorwerp is:
De ober heeft eindelijk een glas cola voor Meindert ingeschonken.

Slide 15 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp?

Hij geeft zijn zus een knuffel.

Slide 16 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp in de zin:
De politieagent gaf de foutparkeerder een flinke boete.

Slide 17 - Open question

Stappenplan
  1. Onderstreep de persoonsvorm.


  2. Verdeel de zin in zinsdelen.


  3. Selecteer het onderwerp (o), het gezegde (wg), het lijdend voorwerp (lv) en het meewerkend voorwerp (mv). 

Slide 18 - Slide

Welk woord in de zin is de persoonsvorm?
Ik fiets op mijn fiets naar school
A
fiets (1e woordje)
B
fiets (2e woordje)
C
Ik
D
school

Slide 19 - Quiz

Wat is een persoonsvorm altijd?
A
Lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 20 - Quiz

Wie heeft mijn scooter gerepareerd?

mijn scooter =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 21 - Quiz

Mijn moeder heeft mijn oma een nieuwe jas gegeven.
mijn oma =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 22 - Quiz

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Wie =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 23 - Quiz

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Mijn konijn =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
werkwoordelijk gezegde

Slide 24 - Quiz

Ontleed de volgende zin volgens het stappenplan:
Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.

Slide 25 - Open question

Aan de slag!
  • Voor vrijdag:
    Maken 2.3 C Deel 2: Grammatica: Meewerkend voorwerp.

    Maken 2.3 B Deel 1: Grammatica: Lijdend voorwerp (inhalen).

  • Maandag SO 2.1 + 2.2 + 2.3

Slide 26 - Slide

Extra oefenen?
  • Ga naar de link op de volgende slide en maak de opdrachten.

  • Geef aan je docent door hoeveel procent je goed hebt :)

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Link