Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

1 / 21
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsLager onderwijsLeerjaar 5

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slide.

Report this lesson

Items in this lesson

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Het vuur (branden) ___ de hele dag.

Hij (vinden) ___ een euro op straat.

Ayse (beantwoorden) ___ een vraag.

Cas (geven) ___ zijn vleesetende planten water.

(beantwoorden) ___ jij die vraag helemaal goed?

Lianne (gaan) ___ graag naar het zwembad.

Robert (pingpongen) ___ het liefst de hele dag.

Peter (fietsen) ___ helemaal naar huis.

Vincent (verliezen) ___ nooit een wedstrijd.

Dirk (worden) ___ vast de nieuwe kampioen.

(worden) ___ jij ook zo graag verwend?

Kristine (feliciteren) ___ Paul met zijn verjaardag.

De hele familie is naar Brussel (verhuizen) ___.

Hoe heeft je nichtje zich (bezeren) ___?

De brandweer (spoeden) ___ zich naar het brandende huis.

Het dekentje (pluizen) ___ steeds meer.

(vinden) ___ jij dat een goed idee?

Mijn broertje heeft een nieuw boek (lezen) ___.

De meeuw (zweven) ___ op de wind.

(binden) ___ je mijn veter even vast?