Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Het vuur (branden) ___ de hele dag.
Hij (vinden) ___ een euro op straat.
Ayse (beantwoorden) ___ een vraag.
Cas (geven) ___ zijn vleesetende planten water.
(beantwoorden) ___ jij die vraag helemaal goed?
Lianne (gaan) ___ graag naar het zwembad.
Robert (pingpongen) ___ het liefst de hele dag.
Peter (fietsen) ___ helemaal naar huis.
Vincent (verliezen) ___ nooit een wedstrijd.
Dirk (worden) ___ vast de nieuwe kampioen.
(worden) ___ jij ook zo graag verwend?
Kristine (feliciteren) ___ Paul met zijn verjaardag.
De hele familie is naar Brussel (verhuizen) ___.
Hoe heeft je nichtje zich (bezeren) ___?
De brandweer (spoeden) ___ zich naar het brandende huis.
Het dekentje (pluizen) ___ steeds meer.
(vinden) ___ jij dat een goed idee?
Mijn broertje heeft een nieuw boek (lezen) ___.
De meeuw (zweven) ___ op de wind.
(binden) ___ je mijn veter even vast?