1.7 Grammatica

Welkom bij Nederlands!
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Welkom bij Nederlands!

Slide 1 - Slide

In deze les:
  • Week Tegen Pesten
  • Herhaling: persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde, onderwerp
  • Uitleg: lijdend voorwerp
  • Zelfstandig maken:
    opdracht 1 t/m 5 en 8 t/m 12 vanaf bladzijde 56
   
  • Terugkijken


Doelen van deze les:
  1. Aan het einde van de les kun je de persoonsvorm, het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde, het onderwerp en het lijdend voorwerp van een zin benoemen.

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Ken jij de zinsdelen?

Slide 4 - Slide

  Over welke zinsdelen gaat het vandaag?

- de persoonsvorm
- het werkwoordelijk gezegde
- het onderwerp
- het lijdend voorwerp

Slide 5 - Slide

Mohammed heeft vandaag
een doelpunt gescoord.
Wat is de persoonsvorm?
A
Mohammed
B
heeft
C
een doelpunt
D
gescoord

Slide 6 - Quiz

Mohammed heeft vandaag
een doelpunt gescoord.
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
Mohammed
B
Mohammed heeft
C
heeft vandaag
D
heeft gescoord

Slide 7 - Quiz

Mohammed heeft vandaag
een doelpunt gescoord.
Wat is het onderwerp?
A
Mohammed
B
heeft gescoord
C
vandaag
D
een doelpunt

Slide 8 - Quiz

Mohammed heeft vandaag
een doelpunt gescoord.
Wat is het lijdend voorwerp?
A
Mohammed
B
vandaag
C
een doelpunt
D
gescoord

Slide 9 - Quiz

Leonie en haar zus gaven
afgelopen weekend een feest.
Wat is de persoonsvorm?
A
Leonie en haar zus
B
een feest
C
afgelopen weekend
D
gaven

Slide 10 - Quiz

Leonie en haar zus gaven
afgelopen weekend een feest.
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
Leonie en haar zus
B
gaven
C
feest
D
Leonie

Slide 11 - Quiz

Leonie en haar zus gaven
afgelopen weekend een feest.
Wat is het onderwerp?
A
Leonie en haar zus
B
Leonie
C
afgelopen weekend
D
een feest

Slide 12 - Quiz

Leonie en haar zus gaven
afgelopen weekend een feest.
Wat is het lijdend voorwerp?
A
Leonie en haar zus
B
Leonie
C
afgelopen weekend
D
een feest

Slide 13 - Quiz

Zo benoem je zinsdelen.
De persoonsvorm (pv): de zin van tijd veranderen

Het werkwoordelijk gezegde (wg):
 
de persoonsvorm + alle andere werkwoorden in de zin

Het onderwerp (o):
wie of wat + wg
Het lijdend voorwerp (lv): wat of wie + wg + o


Slide 14 - Slide

De persoonsvorm
De persoonsvorm (pv) is een werkwoord.

Mijn tante heeft vandaag gekookt.
Mijn tante had vandaag gekookt. 

Je vindt de persoonsvorm met de tijdproef. 

  • Staat de zin in de tegenwoordige tijd? Zet hem dan in de verleden tijd.
  • Staat een zin in de verleden tijd? Zet hem dan in de tegenwoordige tijd.

Slide 15 - Slide

Het werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden in een zin vormen samen het werkwoordelijke gezegde (wg).

Slide 16 - Slide

Het onderwerp van een zin
Het onderwerp is het zinsdeel waarover in de rest van de zin iets gezegd wordt.

Het onderwerp vind je door de vraagproef te gebruiken.

Slide 17 - Slide

De vraagproef
Bij de vraagproef stel je de vraag:
wie of wat + alle werkwoorden (werkwoordelijk gezegde)?

Het antwoord op deze vraag is het onderwerp.

Slide 18 - Slide

Het lijdend voorwerp
Hoe vind je het lijdend voorwerp?

Stel de vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp?

Het antwoord op die vraag is het lijdend voorwerp.

Slide 19 - Slide

De buurman heeft gisteren een nieuwe auto gekocht.
Wat is het lijdend voorwerp?
A
heeft gekocht
B
de buurman
C
gisteren
D
een nieuwe auto

Slide 20 - Quiz

Zinnen ontleden
1. Dorien en Lotte aaiden gisteren mijn broertje over zijn hoofd.
2. Soufiyan gaf Rachid een stomp.
3. Shay had nog een graag een kop koffie willen drinken.

Slide 21 - Slide

Aan de slag!
1.7 Grammatica
Kader maakt:
opdracht 1 t/m 3 en opdracht 5 t/m 9 op blz. 62 t/m 65.

Basis maakt: 
opdracht 1 t/m 5 op bladzijde 53 t/m 55.

Slide 22 - Slide